De Grote Eindtijdprofetie van Jezus in Mattheüs 24 en 25 - Inleiding


De Opname


Door Watchman Nee


Uit: The King and the Kingdom of Heaven       


 

 

Woord vooraf:

 

   Er wordt vaak gesuggereerd dat er geen ‘partiële’ (gedeelde of selectieve) opname kan zijn waarbij de overwinnaars eerst opgenomen worden, omdat dit zou betekenen dat er dan indirect negatief geoordeeld wordt over de christenen die achterblijven, terwijl dat oordeel pas plaatsvindt voor de rechterstoel van Christus in de lucht, waar alle christenen immers aanwezig moeten zijn. Maar deze gedachte maakt geen onderscheid tussen ‘loon naar werken’ en ‘geestelijke rijpheid’. Werken zijn uiterlijke dingen die men doet voor Christus; er zijn goede werken, maar er zijn ook werken die naar eigen inzicht en in eigen kracht worden gedaan, zonder dat de Here er ooit de opdracht of de kracht voor gegeven heeft. Dat zijn geen goede werken. De eerste opname is geen ‘loon naar werken’. In de Bijbel is de oogst een beeld van de opname. Net als bij een aardse oogst worden bij de opname de eerstelingen binnengehaald vóór de rest van de oogst. Men hoort bij de eerste opname wanneer men als ‘rijp koren’ los in de aarde zit en gemakkelijk geoogst kan worden - wanneer men geen ongeestelijke binding meer met de aarde heeft en vervuld is met de Geest. Dit is iets innerlijks, in tegenstelling tot de werken die uiterlijk van aard zijn. De vervulling met de Geest kost ons altijd iets; we moeten daarvoor bepaalde dingen opgeven. Men zegt vaak, ‘wie in Christus is die is al overwinnaar’. Zeker, maar dat is een objectieve waarheid die nog moet worden uitgewerkt in de ervaring. Wat onze werken betreft worden wij niet beoordeeld aan de hand van onze positie in Christus, waarom zou dat bij de opname dan wel het geval zijn?

 

   In feite is het Gods genade dat Hij degenen die nog niet ‘klaar zijn’ achterlaat bij de eerste opname (wegrukking direct naar de troon). Als zij worden achtergelaten om door de Grote Verdrukking te gaan, worden zij daardoor voorbereid om de Here te ontmoeten in de lucht, waar zij door Hem geoordeeld worden (de tweede fase in het proces van de wederkomst). Zij worden opgenomen vóór de zeven schalen van de gramschap Gods (Openb. 16). Deze opname voert hen weg naar Christus en de andere heiligen in de lucht, waar Christus de Gemeente eerst oordelen zal, voordat Hij alle andere mensen oordeelt. Zij missen dus de eerste opname naar de troon in de hemel, maar dat betekent nog niet dat zij ook het Koninkrijk mislopen. Zij kunnen het Koninkrijk nog steeds beërven, als zij zich bekeren tijdens de Grote Verdrukking. Dat is Gods genade voor hen die nog niet klaar zijn om geoordeeld te worden. Zij die al gestorven zijn, worden vóór de tweede opname opgewekt en zij gaan samen met hen die achterbleven de Here tegemoet in de lucht, om geoordeeld te worden voor Zijn troon. Dus als u sterft en tijdens uw leven als christen niet waardig met Hem gewandeld hebt, mist u het Koninkrijk (duizend jaar). Maar als u de eerste opname mist, hebt u nog tijd om de dingen in orde te maken voordat u geoordeeld wordt voor de oordeelstroon van Christus. Dat is in feite de genade van God.

 

De vertaler

 

 

Begin uitleg Watchman Nee:

 

   Om Mattheüs 24 en 25 goed te kunnen verstaan is het noodzakelijk om een goed begrip van de opname te hebben. Want het is één van de belangrijkste onderwerpen in dit laatste uur. Helaas is het een onderwerp dat door velen verkeerd wordt begrepen. Opname is het zelfde woord als ‘ontvangen’ in Johannes 14:1-3. Het betekent dus niet een ‘opklimmen’ naar de hemel, maar het ontvangen worden in de hemel door de Here. Opname is dus een specifieke term die onze ontvangst door Hem bij Zijn naderende wederkomst aangeeft. De visies omtrent de opname der Gemeente zijn drieërlei. Sommigen zeggen dat (1) het hele lichaam van Christus wordt opgenomen voor de Grote Verdrukking; anderen geloven dat (2) alle wedergeborenen door de Grote Verdrukking moeten gaan voor zij opgenomen worden; en er zijn er die van mening zijn dat (3) een deel van de wedergeborenen wordt opgenomen voor de Grote Verdrukking en dat het andere deel na de Grote Verdrukking opgenomen wordt. Al deze  scholen hebben bekende aanhangers:

 

   In de eerste school vinden wij mensen als J. N. Darby, William Kelly (C. H. Spurgeon zei eens dat het brein van Kelly zo groot als het universum was), R. A. Torrey (die later deze visie inruilde voor het geloof in een opname na de Grote Verdrukking), Phillip Brooks, James Gray, Arno C. Gaebelein, J. A. Seis, C. I. Scofield, enz. 

 

   In de tweede school vinden we mensen als George Müller (die eerst geloofde in een opname voor de Grote Verdrukking), A. J. Gordon uit Boston, A. B. Simpson, W. J. Erdman, W. G. Moorehead, Henry Frost uit Canada, James Wright, Benjamin Newton, enz.

 

    En in de derde school komen we namen tegen als Hudson Taylor, Robert Chapman, Robert Govett (Spurgeon prees zijn geschriften en zei dat zij licht bevatten dat een eeuw te vroeg begon te schijnen), G. H. Pember, D. M. Panton (de ‘Prins der Profetie’), en anderen. 

 

   Geen van de drie scholen kan de anderen helemaal negeren, maar er is maar één school die de juiste interpretatie heeft. Laten wij ze daarom aan een eerlijk onderzoek onderwerpen, met de houding van een rechter, niet met de houding van een advocaat.

 

 

    I. Redenen die de eerste school noemt (de opname van de hele Gemeente voor de Grote Verdrukking) om haar visie te ondersteunen, worden in de volgende paragrafen weergegeven.

 

        A. I Thessalonicenzen 1:10 ‘(...) de komende toorn (...)’ - Dat is de Grote Verdrukking. Omdat de Here Jezus ons verlost uit de komende toorn moeten wij worden opgenomen vóór de Grote Verdrukking (hierna aangeduid met de afkorting ‘G.V.’). Ook I Thessalonicenzen 5:9: ‘(...) want God heeft ons niet gesteld tot toorn (...)’ - ook hier verwijst ‘toorn’ naar de G.V. Ik moet echter zeggen dat zulk een interpretatie van het woord ‘toorn’ niet juist is. Hoe weten wij dat deze toorn de toorn van de G.V. is? En zelfs als dat zo is, dan is zulk een interpretatie van het woord ‘toorn’ nog ongegrond, want de G.V. is enerzijds de straf en toorn van God jegens de ongelovigen, en anderzijds de aanval en de toorn van Satan jegens de gelovigen. Als Satan de gelovigen aanvalt gaan zij binnen in de ervaring van de G.V. maar zij ondergaan dan niet de toorn van God.

 

        B. Jeremia 30:6-7 ‘(...) een tijd van benauwdheid is het voor Jakob (...)’ - De G.V. is alleen voor de Joden, niet voor de heidenen of de Gemeente. Omdat de Joden niet de Gemeente zijn zullen wij niet door de G.V. gaan (zie ook Daniël 12:1). Als er in de Bijbel alleen deze twee teksten stonden die over de G.V. gaan, dan zou de G.V. alleen voor de Joden zijn. Maar er staan andere passages in de Bijbel, zoals Openbaring 3 dat spreekt over ‘de ure der verzoeking, die over de gehele wereld komen zal, om te verzoeken hen, die op de aarde wonen’ (vers 10). De profetieën van Jeremia en Daniël waren gericht tot de Joden, en daarom worden er logischerwijze woorden gebruikt als ‘Jakob’ en ‘Uw volk.’

 

        C. Openbaring 4:1-4 Uitleggers van deze eerste school zien Openbaring 2 en 3 als de bedeling der Gemeente; Openbaring 4:4 (met de 24 oudsten) zien zij als een vertegenwoordiging van de verheerlijkte Gemeente na de opname; en hoofdstuk 5 en 6 zien zij als het begin van de G.V. Maar de woorden van Openbaring 4:1 worden niet gezegd tegen de hele Gemeente. Het wordt alleen gezegd tegen Johannes. ‘Klimt hierheen op’ is een voldongen feit in de ervaring van Johannes op het eiland Patmos. Anders zou ook de ervaring van Filippus in Hand. 8:39 wel voor de hele Gemeente kunnen gelden. Wat betreft de 24 oudsten is het nogal absurd om hen als de verheerlijkte Gemeente te zien om de volgende redenen:

    (1) 24 is niet getal van de Gemeente; alleen zeven of veelvouden van zeven hebben betrekking op de Gemeente, zoals de zeven gemeenten te Asia.

    (2) Nergens in de Bijbel wordt het woord ‘oudste’ voor de Gemeente gebruikt. Er zijn oudsten in de gemeenten en onder de Joden, maar niet alle gelovigen zijn oudsten. God schiep eerst de engelen, toen koos Hij de Joden, en tenslotte gaf Hij genade aan de Gemeente. Hoe kan de Gemeente dan de titel ‘oudste’ dragen?

    (3) In Openbaring 4 en 5 lezen wij dat de oudsten op tronen zitten en dat zij gouden kronen dragen op hun hoofd, terwijl Christus staat (Openb. 5:6). Kan de Gemeente heerlijkheid en eer ontvangen voordat Christus is verheerlijkt? Tronen en kronen zijn symbolen van koningschap.

    (4) De oudsten zijn bekleed met witte klederen. Sommigen suggereren dat deze klederen spreken van Christus als onze Gerechtigheid, want Zijn bloed heeft de klederen wit gewassen. Maar nergens lezen wij dat hun klederen zijn gewassen met het bloed van Christus. Onze klederen moeten worden gewassen met bloed omdat wij gezondigd hebben, maar de 24 oudsten hebben nooit gezondigd.

    (5) De oudsten hebben nooit de verlossing ervaren. In hoofdstuk 4 zien wij dat zij het lied van de schepping zingen. En hoewel zij in hoofdstuk 5 het lied der verlossing zingen, zingen zij niet over zichzelf maar over de mensen die zijn gekocht met het bloed van het Lam. ‘En Gij hebt hen voor onze God gemaakt (...)’ (vers 10) - Het woord ‘hen’ verwijst hier naar de Gemeente. Als het nu de Gemeente is die hier zingt, zou zij dan het woord ‘hen’ gebruiken?

    (6) Openbaring 4 handelt over het universum, niet over de Gemeente, de naties, of de Joden. En daarom kunnen wij zeggen dat dit de oudsten van het universum zijn. De Gemeente is niet een oudste van het universum.

    (7) Openbaring 5:8. De Gemeente kan de gebeden van mensen niet tot God brengen.

    (8) Openbaring 7:13 Als Johannes de Gemeente vertegenwoordigt, dan zou hier de Gemeente iets vragen aan de Gemeente, en dat kan natuurlijk niet.

    (9) Johannes noemt één van de oudsten zelfs ‘mijn heer’ (7:14), waarmee hij zegt dat zijn positie lager is dan die van de oudsten. Als de 24 oudsten de Gemeente vertegenwoordigen, dan zou Johannes, die een hoge positie in de Gemeente inneemt, de oudste van de oudsten moeten zijn.

    (10) Het getal 24 moet letterlijk worden genomen, niet symbolisch. Eén van de oudsten spreekt met Johannes. Hoe kan 1/24 deel van de Gemeente met Johannes spreken? Deze 24 oudsten zijn aartsengelen die heersen over het universum. Ook onder Satan zijn er overheden en machten.

 

        D. I Thessalonicenzen 4:16-17 Spreken deze verzen niet over de opname? Dat schijnt inderdaad zo te zijn ja, maar zij noemen geen specifieke tijd daarvoor. Zij handelen over het feit van de opname, niet over het wanneer van de opname. Deze verzen kunnen dus niet gebruikt worden als bewijs van een opname voor de G.V.

 

        E. I Korinthiërs 15:50-52. Dood of levend, allen zullen worden opgenomen. Maar opnieuw wordt hier over het feit van de opname gesproken, zonder een tijdsindicatie die duidelijk maakt of het over een opname voor de G.V. gaat. Deze tekst kan zelfs worden gebruikt als bewijsmateriaal voor een opname na de G.V. ‘Bij de laatste bazuin;’  dit is de zelfde bazuin als de zevende bazuin in Openbaring 11:15. Sommige mensen gebruiken een theorie die zegt dat het een Romeins gebruik was om de bazuinen drie keer te laten klinken. Maar de Heilige Geest houdt zich niet aan Romeinse wetten.

 

        F. Lucas 21:36. De Here belooft duidelijk dat de Gemeente kan ontkomen aan de G.V. en voor de Zoon des mensen geplaatst kan worden. Dit verwijst naar de opname. Desalniettemin wordt er een voorwaarde gesteld. De opname is niet voor iedereen die wederomgeboren is maar voor degenen die waken en bidden. ‘(...) dat gij in staat moogt wezen (...) te ontkomen (...) aan alles wat geschieden zal (...)’ Als u waakt en bidt kunt u ontkomen. De belofte wordt dus gegeven aan wie deze dingen doen. Waakt en bidt iedereen in de Gemeente? Laten wij hier aandacht aan schenken.

 

        G. Openbaring 3:10: ‘Omdat gij het woord van Mijn volharding hebt bewaard’ (Herziene Voorhoeve vertaling, zo staat het in de Griekse tekst). Deze tekst wordt als het sterkste bewijs gezien voor een opname voor de G.V. Maar dit is ook een belofte met een voorwaarde. Je kunt hem daarom niet gebruiken als bewijsmateriaal voor de opname van de gehele Gemeente voor de G.V. Wat wordt er bedoeld met ‘het woord van Mijn volharding?’ Vandaag de dag belasteren en vervloeken de mensen de Here Jezus, maar de Here straft ze niet, en Hij slaat ze ook niet tegen de grond met donder en bliksem. Dat is het geduld en de volharding van Christus in deze bedeling. Vandaag volharden wij met Christus. Wij bieden geen weerstand. Maar bewaart ieder christen vandaag het woord van Zijn volharding? Zo ja, dan wordt de hele Gemeente opgenomen. Als dit vers gebruikt kan worden om te bewijzen dat de hele Gemeente opgenomen wordt voor de G.V. dan kun je ook met een tekst als ‘een ieder die in Hem gelooft’ zeggen dat alle mensen gered zijn; en dat is natuurlijk niet waar. Daarnaast wordt deze belofte gegeven aan de gemeente te Filadelfia, niet aan de hele Gemeente. Als de gemeente te Filadelfia de hele Gemeente vertegenwoordigt dan mogen we aannemen dat de hele Gemeente voor de G.V. wordt opgenomen. Maar in die tijd waren er slechts deze zeven gemeenten in Klein Azië, en de belofte werd slechts aan één van deze gemeenten gegeven. Het kan dus niet waar zijn dat de gemeente te Filadelfia de hele Gemeente vertegenwoordigt; anders zullen de overwinnaars in de andere zes gemeenten niet worden opgenomen.

 

 

   II. De eerste school heeft niet alleen geen schriftuurlijk bewijs voor haar visie, maar baseert te veel van haar argumenten op veronderstellingen. Als het zulk een gewichtig onderwerp als de opname betreft, dan moet men zeker geen conclusies trekken uit veronderstellingen. Deze veronderstellingen zijn de volgende.

 

        A. Openbaring 1-3 spreekt van de Gemeente. Na hoofdstuk 3 wordt de Gemeente niet langer genoemd, dus moet zij al opgenomen zijn in hoofdstuk 4 en verder. (In de bedeling van het Koninkrijk is er gerechtigheid en majesteit; het geduld van Christus is dan verdwenen). Als hoofdstuk 1-3 naar het Koninkrijk verwijzen, dan is hoofdstuk 4-19 de G.V., waar de Gemeente geen deel aan heeft. Dit argument wordt ook wel het argument van ‘de stilte’ genoemd (er wordt gezwegen over de Gemeente). Wij kunnen echter niet zeggen dat er in hoofdstuk 4-19 niet over de Gemeente wordt gesproken. Zelfs al wordt het woord ‘gemeente’ niet genoemd in deze hoofdstukken, vele andere beschrijvingen die worden gebruikt verwijzen naar de Gemeente, zoals: ‘en Gij hebt hen gekocht met uw bloed uit elke stam en taal en volk en natie’ (5:10); ‘En ik zag de vrouw dronken van het bloed der heiligen’ (17:6); ‘En de heerscharen, die in de hemel zijn, volgden Hem’ (19:14). Het staat buiten kijf dat het woord ‘gemeente’ niet wordt gebruikt, maar wie kan zeggen dat degenen over wie gesproken wordt in bovenstaande voorbeelden niet tot de Gemeente behoren? En verder: ‘hetgeen weldra geschieden moet’ (inclusief de G.V.), wordt getoond aan ‘Zijn knechten’ (22:6); en ‘dit’ (ofwel: deze dingen, inclusief de G.V.) te betuigen voor ‘de gemeenten’ (22:16). Deze dingen zouden niet opgeschreven zijn als zij niet van belang waren voor de Gemeente en de gelovigen.

 

        B. Als de Gemeente is opgenomen zullen er nog steeds zeer veel mensen op aarde zijn die gered zullen worden. Dat zijn de heiligen die uit de G.V. komen (Openb. 7:9-17). Zij worden gered gedurende de G.V. Er zit een zwakheid in zulke veronderstellingen die wij moeten opmerken. Wij moeten begrijpen dat ‘de grote schare die niemand tellen kon’ (7:9), de tweehonderd miljoen, (‘twee keer tienduizend maal tienduizend’) moet overschrijden. Als wij uitgaan van de huidige wereldbevolking (let wel: 1930) van twee miljard mensen, dan blijven er nog anderhalf miljard mensen over als een vierde deel der mensen gedood is.

    Deze ontelbare schare die uit de G.V. van Openbaring 7 komt moet slaan op de overwinnende heiligen die komen uit de grote verdrukking die door alle gelovigen gedeeld wordt uit alle twintig eeuwen kerkgeschiedenis.

 

        C. Vóór de G.V. keert de Heilige Geest terug naar de hemel. Omdat de Geest met de Gemeente is kan men aannemen dat de hele Gemeente wordt opgenomen voor de G.V. De basis voor deze veronderstelling is II Thessalonicenzen 2:6-7 waar ‘(...) hij, die op het ogenblik nog weerhoudt (...) ’ wordt aangezien voor de Heilige Geest.

    Maar ‘hij, die weerhoudt’ kan de Heilige Geest niet zijn, want de zin die daarop volgt: ‘ (...) totdat hij (...)  verwijderd is (...)’ is niet de terminologie die men kan gebruiken voor de Heilige Geest. De derde Persoon van de Godheid heeft vele namen zoals: de Geest, De Geest der heerlijkheid, de Geest van openbaring, etc. Het woord ‘Geest’ is meestal aanwezig, en hoewel in één geval het woord Trooster wordt gebruikt, wordt Hij in dezelfde zin de Geest der waarheid genoemd, waardoor duidelijk wordt dat met het woord Trooster de Geest wordt bedoeld (Joh. 14:16-17). Nooit zegt de Heilige Schrift dat de Heilige Geest ‘hij die weerhoudt’ is; en hoe kan men zeggen dat de Heilige Geest verwijderd wordt? En waar zegt de Bijbel dat de Heilige Geest afwezig is tijdens de G.V.? Hoe kunnen er gelovigen zijn in de G.V. als de Heilige Geest niet aanwezig is? Want niemand wordt gered zonder de Heilige Geest. Wat uit de Geest geboren is, is geest.  Dat de Heilige Geest aanwezig is tijdens de G.V. is duidelijk te zien in Openbaring 5: ‘dit zijn de zeven Geesten Gods, uitgezonden over de gehele aarde’ (vers 6). De G.V. is de tijd van de late regen (zie Hand. 2:15-21, Joël 2:28-31). De profetie van Joël was niet geheel vervuld op de Pinksterdag. Want op die dag waren er geen ‘wonderen in de hemel en op de aarde: bloed en vuur en rookzuilen;’ en ook de zon werd niet veranderd in duisternis, en de maan in bloed (Joël 2:30-31). Al deze vijf wonderen zullen plaatshebben vlak voor en tijdens de G.V: bloed (de eerste bazuin), vuur (de eerste en de tweede bazuin), rook (de vijfde bazuin), de zon en de maan (het zesde zegel). Pinksteren is slechts een klein voorproefje. Petrus zei niet: ‘Het is vervuld;’ hij zegt alleen maar ‘(...) dit is het (...) waarvan gesproken is door de profeet Joël (Hand. 2:16). Het is zelfs zo dat de Heilige Geest veel grotere werken gaat doen tijdens de G.V. dan op de Pinksterdag. Als er tijdens de G.V. geen Heilige Geest is, hoe kunnen de heiligen dan ooit de G.V. verdragen?

 

        D. De discipelen in de vier Evangeliën zijn Joden. En tegen hen, Joden, zegt de Here dat zij moeten waken en bidden. Omdat wij christenen sowieso worden opgenomen hoeven wij niet te waken en te bidden. Wij halen onze inspiratie uit de brieven van Paulus. De discipelen zijn echter christenen, en ook zij horen bij de Gemeente. Worden de discipelen geen christenen genoemd (Hand. 11:26)?

 

        E. De eerste school is van mening dat niet veel van de Evangeliën en de Handelingen is geschreven voor de gelovigen uit de heidenen. C. I. Scofield bijvoorbeeld is van mening dat de bergrede alleen voor de Joden is. Zij vergeten echter de woorden in Mattheüs 28:20: ‘(...) en leert hen (al de volken) onderhouden al wat ik u bevolen heb (...)’ (daar hoort de bergrede uiteraard ook bij); en Johannes 14:26: ‘(...) de Trooster, die zal u alles leren en u te binnen brengen wat Ik u gezegd heb (...)’ Zij baseren al hun leerstellingen op de brieven van Paulus, terwijl zij zich de woorden van Paulus zelf in Kolossenzen 3 zouden moeten herinneren: ‘(...) het woord van Christus wone rijkelijk in u (...)’

 

        F. ‘En dit evangelie van het Koninkrijk zal in de gehele wereld gepredikt worden (...) en dan zal het einde gekomen zijn’ (Matt. 24:14). Zij suggereren dat het evangelie van het Koninkrijk een andere evangelie is dan het evangelie der genade, en dat het evangelie van het Koninkrijk alleen gepredikt werd toen de Here zelf op aarde was en dat het vlak voor de G.V. zal worden gepredikt. Omdat wij zijn gered door het evangelie der genade zijn zij van mening dat het evangelie der genade niet aan de gehele wereld hoeft te worden gepredikt voordat wij opgenomen worden. Zodoende zal het evangelie van het Koninkrijk alleen gepredikt worden zo’n tien of twintig jaar voor de G.V. Maar het evangelie van het Koninkrijk is het evangelie van het Koninkrijk van God, en het evangelie der genade is het evangelie van de genade van God. Volgens Hand. 20:24-25 is het ‘evangelie der genade Gods’ in vers 24, niets anders dan het ‘prediken’ van ‘het Koninkrijk’ in vers 25. Merk ook op dat de Here na Zijn opstanding sprak met de discipelen over ‘al wat het Koninkrijk Gods’ betrof (Hand. 1:3).

 

        G. Zij zien het werk van Christus op aarde als het vervullen van Zijn dienst aan de besnedenen, en daarmee zetten zij alles tegen een Joodse achtergrond. En daarom is alles wat er in de Evangeliën door de Here Jezus aan bevelen gegeven werd niet voor ons christenen maar voor de Joden. Laat ik daarop antwoorden dat de bedeling der Genade ook begint met Christus. Lees alstublieft de volgende passages: (1) Mattheüs 11:13-14 en Lucas 16:16 - waar de zin ‘sinds die tijd’ in Lucas betekent: vanaf de tijd van Christus; (2) Handelingen 10:36-37 en 13:25-27 - waar we zien dat ‘deze heilsboodschap’ (13:26) van de tijd van Johannes de Doper af wordt gepredikt; (3) Marcus 1:1-15 en Johannes 1:1-15 - waar wij leren dat ‘het evangelie van Jezus Christus’ (Marc. 1:1) een aanvang neemt met Johannes de Doper; (4) Lucas 4:17-21 - deze verzen beschrijven het evangelie der genade op verschillende wijzen en het gedeelte besluit met de volgende woorden van Jezus: ‘Heden is dit schriftwoord voor uw oren vervuld’ (vers 21); (5) Johannes 4:23 - waarin de zin ‘maar de ure komt en is nu’ een indicatie is van het feit dat gedurende de bedeling der genade de mensen die God aanbidden Hem aanbidden in geest en in waarheid (terwijl in de bedeling der wet de mensen God ‘in het vlees’ tegemoet traden en volgens bepaalde rituelen); en (6) Johannes 5:24-25 - deze verzen vertellen ons dat in de zin ‘en is nu’ het Evangelie der genade is inbegrepen.

 

 

    III. In de Bijbel staan bewijzen genoeg dat de Gemeente door de G.V. heen moet gaan. Hier volgen enkele bewijzen.

 

        A. II Thessalonicenzen 2:1-9. Lees deze verzen alstublieft zeer zorgvuldig. Vers 1 geeft ons het onderwerp van dit gedeelte - namelijk, de komst van Christus en de opname. Omdat de opname waarover hier gesproken wordt een ‘vergaderd worden’ in de lucht is, is dit al een hint voor het feit dat het een opname van na de G.V. is. ‘Een geestesuiting’ (vers 2) is niet een uiting van de Heilige Geest maar hier wordt over de menselijke geest gesproken; de term ‘een prediking’ of eigenlijk: ‘een woord,’ betekent: een gerucht. ‘Ons’ verwijst naar Paulus, Silvanus, en Timotheüs; en ‘de dag des Heren’ is de dag van Christus’ komst en de opname. In die dagen waren er mensen die de Thessalonicenzen wijs maakten dat de dag des Heren al voorbij was en dat zij achtergelaten waren. Maar vers 3 zegt ons dat deze dag niet zal komen voordat de volgende twee tekenen verschijnen: (1) voor de opname verschijnt eerst de mens der zonde, de zoon des verderfs, de antichrist; en (2) er zal eerst een grote afval komen. Wanneer zal de mens der zonde verschijnen? Uiteraard gedurende de G.V. De opname zal dus na de G.V. zijn. Tenminste een deel van de Gemeente zal door de G.V. moeten gaan.

 

    B. I Korinthiërs 15:50-55; I Thessalonicenzen 4:16-17. De eerste tekst gaat over de opstanding en de verandering; de tweede tekst gaat over de opstanding en de opname. Dit zijn twee parallelle passages. Alle Bijbelstudenten zijn het er over eens dat de gebeurtenissen in beide passages tegelijkertijd plaatsvinden. Is er een aanwijzing voor een bepaald tijdstip voor deze gebeurtenissen? Die is er weldegelijk. ‘Bij de laatste bazuin’ houdt in dat dit na de G.V. is. De eerste school zegt dat het blazen op de laatste bazuin plaatsvindt voor de G.V., maar degenen die deze visie aanhangen hebben geen enkel Schriftvers waarmee zij hun visie kunnen ondersteunen. De laatste bazuin zal klinken na de G.V.; het is de laatste van de zeven bazuinen die in het boek Openbaring genoemd worden (Openb. 11:15). Hoe absurd zou het zijn als na het klinken van de laatste bazuin er nog zeven moeten bazuinen! Dat zou hetzelfde zijn als het krijgen van de laatste zoon, waarna er nog zeven bij moeten komen. Sommigen zeggen dat deze bazuin de bazuin der Gemeente is, en niet van de G.V. Maar waar wordt er dan iets gezegd in de Bijbel over de eerste bazuin der Gemeente? Anderen zeggen dat Paulus hier gebruik maakt van een term die een Romeins militair gebruik voorstelt, waarbij na het blazen van de laatste trompet het hele leger wegmarcheert. Maar de Schrift heeft dit Romeinse militaire gebruik niet overgenomen. Deze bazuin is de bazuin van God, niet van de Gemeente. Zonder enige twijfel kunnen we zeggen dat dit de laatste bazuin is van de zeven bazuinen in Openbaring. Bij het klinken van de zevende bazuin is volgens Openbaring 10:17 ook het geheimenis van God (dat is de Gemeente) voleindigd.

 

    C. Andere bewijzen zijn:

        (1) Mattheüs 24:3, 13:40, 28:20: ‘de voleinding der wereld’ - Het woord ‘wereld’ is hier aion in het Grieks, en dat betekent ‘eeuw’ of ‘tijdsperiode’ - dus het einde der tijden. Chronologisch gezien valt de G.V. binnen deze bedeling. Als de opname voor de G.V. plaatsvindt dan is er een gat van drieënhalf jaar.

        (2) I Korinthiërs 15:25; vergelijk ook Handelingen 2:35: ‘(...) totdat hij al Zijn vijanden onder zijn voeten gelegd heeft (...)’ Dit wordt waarheid na de G.V.

        (3) I Timotheüs 6:14: ‘(...) dat gij dit gebod onbevlekt en onberispelijk handhaaft tot de verschijning van onze Here Jezus Christus (...)’ - De verschijning van de Here Jezus zal plaatsvinden na de G.V. Als Hij naar de lucht komt voor de G.V. zou het dan nodig zijn te wachten, te waken, en te handhaven?

 

 

    IV. Hoewel er bewijzen staan in de Bijbel voor een opname van gelovigen na de G.V. wil dat nog niet zeggen dat alle gelovigen na de G.V. worden opgenomen. En daarom maakt de tweede school ook fouten.

    Want de Bijbel zegt duidelijk dat sommige gelovigen worden opgenomen voor de G.V. Hier zijn enkele redenen voor het aanhangen van deze visie.

 

        A. Als de hele Gemeente zou worden opgenomen na de G.V. dan zouden wij niet hoeven te waken, wachten en ons voorbereiden. Wetende dat de Here niet zou komen voor het einde van de periode van drieënhalf jaar, zouden wij best een slecht christenleven kunnen leiden die drieënhalf jaar; wij worden toch wel opgenomen. Maar dit idee ondermijnd het principe van de Schrift.

 

        B. Als wij allen na de G.V. zouden worden opgenomen dan wachten wij niet op Christus maar op de antichrist, want deze komt eerst.

 

        C. De Gemeente zou haar hoop verliezen - ‘(...) verwachtende de zalige hoop en de verschijning der heerlijkheid van onze grote God en Heiland, Christus Jezus (...)’ (Ti. 2:13) - want bij deze hoop inbegrepen is de zegen van het ontkomen aan de G.V.

 

        D. De tweede school aanvaardt niet het idee van een geheime opname; maar de aanhangers van deze school vergeten het woord: ‘Zie, Ik kom als een dief’ (Openb. 16:15). Een dief komt onaangekondigd, stilletjes, en hij neemt altijd het beste mee.

 

        E. De tweede school ziet de twaalf discipelen puur als christenen, dit in tegenstelling tot de eerste school die hen puur als Joden ziet. Maar in feite zijn de twaalf discipelen zowel christenen als vertegenwoordigers van het Joodse overblijfsel. In bijvoorbeeld Mattheüs 10:5-6 en 23:3 zien wij dat zij allemaal een Joodse achtergrond hebben, een feit dat niet van toepassing is op christenen.

 

        F. De tweede school faalt in het onderscheiden van de opname en de verschijning des Heren. Er is een verschil tussen het komen van Christus voor de heiligen en het komen van Christus met de heiligen. Wat Henoch profeteerde in Judas verwijst naar de komst van de Here met Zijn heilige tienduizenden (Judas 14) waarbij Hij Zijn voeten op de Olijfberg zal zetten. Zo ook de profetie van Openbaring 1:7: ‘Zie, Hij komt met de wolken en elk oog zal Hem zien, ook zij, die Hem hebben doorstoken, en alle stammen zullen over Hem weeklagen. Ja, amen.’

    De tweede school hangt de historische visie aan en zegt dat dit deel van Openbaring tot en met Openbaring 17 al vervuld is, en dat wat na hoofdstuk 17 komt nog vervuld moet worden. (Dit is volkomen tegenovergesteld aan de visie van de eerste school die zegt dat alleen hoofdstuk 1-3 al vervuld is). Als het boek Openbaring voor het grootste deel slechts gebeurtenissen weergeeft die al vervuld zijn, hoe kan het gemiddelde kind van God het boek dan ooit begrijpen? Er zouden grote filosofen en historici voor nodig zijn om het te kunnen begrijpen! En het zou ook geen openbaring meer zijn!  

 

 

    V. Zoals wij zagen heeft de eerste school geen Schriftuurlijke bewijzen, terwijl de tweede school wel veel bewijzen heeft, maar daarnaast ook fouten maakt. Wat leert de Bijbel dan wel?

 

        A. Openbaring 3:10 ‘(...) de ure der verzoeking, die over de gehele wereld komen zal’ - dit is de G.V. Dit vers zegt ons dat een bepaald soort mensen kan ontkomen aan de G.V. Dat zijn de mensen die het woord van de volharding van Christus bewaren. Dat maakt korte metten met de argumenten van zowel de eerste als de tweede school. Hoewel Filadelfia de ware Gemeente in de genadetijd vertegenwoordigt, is het toch één van de zeven gemeenten van het toenmalige Asia. Dit laat dus zien dat een relatief klein aantal mensen (een zevende deel) opgenomen zal worden voor de G.V. Verder moet gezegd worden dat het opgenomen worden niet een kwestie is van het al of niet wederomgeboren zijn. Het is afhankelijk van een andere voorwaarde: het bewaren van het woord van de volharding van Christus. Bewaren alle gelovigen het woord van de volharding van Christus vandaag? Nee. Het is dus duidelijk dat niet alle gelovigen worden opgenomen voor de G.V. De tweede school echter zegt dat deze tekst niet naar een opname voor de G.V. verwijst, omdat hij over bewaren spreekt - met andere woorden, dat God hen veilig zal bewaren tijdens de G.V. Zoals bij een brand in een huis er één kamer kan zijn die niet door het vuur wordt aangetast.

    Toen het land Egypte werd getroffen door plagen, bleef het land Gosen en de Israëlieten die daar woonden onaangetast. Maar deze uitleg klopt niet want het bewaren in deze tekst is niet een bewaren in de G.V. maar een bewaren uit de G.V. In het Grieks staat na het woord bewaren het woord ek (dat betekent uit), zoals in ekklesia, wat de eruit-geroepenen betekent. Verder is het niet een bewaren uit de verzoeking zelf maar een bewaren uit de ure der verzoeking. Om uit de ure der verzoeking te worden gehaald moeten wij de wereld verlaten. God heeft twee wegen voor ons om te ontsnappen: de dood en de opname. En dus zal een deel van de gelovigen worden opgenomen voor de G.V.

 

        B. Ook Lucas 21:36 bewijst dat niet de gehele Gemeente maar slechts een deel ervan wordt opgenomen voor de G.V. Lucas 21 en Mattheüs lijken erg op elkaar qua inhoud, maar Mattheüs legt meer de nadruk op de wederkomst van Christus en de G.V. terwijl Lucas zich meer richt op de verwoesting van Jeruzalem en de G.V. Bijgevolg is daar die beroemde vraag in Mattheüs 24:3, en Mattheüs gebruikt ook meer gelijkenissen die verband houden met de wederkomst dan Lucas. In 70 na Chr. werd Jeruzalem verwoest, en aan het einde zal zij door een G.V. gaan.

    Het verslag van Lucas kan als volgt worden onderverdeeld: 21:8-9 - de dingen die geschieden voor het einde; 10-19 - gelovigen zullen lijden; 20-28 - de wijze waarop Jeruzalem zal worden verwoest (vers 28 lijkt te suggereren dat alle gelovigen door de G.V. zullen gaan); 29-33 - een gelijkenis die garandeert dat deze dingen zullen geschieden; en 34-36 - was deze passage er niet geweest dan zou welhaast met zekerheid gezegd kunnen worden dat de hele Gemeente na de G.V. opgenomen zal worden: maar er is een verandering te bespeuren vanaf vers 34. Vers 35 toont aan dat de dingen waarover gesproken werd de gehele bewoonde wereld betreffen. En vers 36 toont ons de voorwaarde waaraan men moet voldoen om te kunnen ontkomen aan de G.V. - waken en bidden. Hoe kunnen gelovigen al deze dingen ontvlieden om voor het aangezicht van de Zoon des mensen te worden gesteld? Uiteraard door opgenomen te worden. Sterven is geen zegen: wij gaan niet bidden en verwachten dat wij zullen sterven. De voorwaarde voor het opgenomen worden is waken en bidden. Bijgevolg worden niet alle gelovigen opgenomen. Bid onophoudelijk. Waar moeten wij voor bidden? Wij moeten bidden dat wij in staat zullen zijn om al deze dingen te ontvlieden.

    ‘Dat gij moogt waardig geacht worden’ - Staten Vertaling (SV). Het is niet een kwestie van genade, maar van waardig zijn. God kan u niet ontvangen in een plaats waar u niet heen verlangt te gaan. Sommige mensen zien de hemel misschien als een saaie plaats om in te leven, zoals deze woorden al enigszins aangeven: ‘Ziet toe op uzelf, dat uw hart nimmer bezwaart worde door roes en dronkenschap en zorgen voor levensonderhoud, en die dag niet plotseling over u kome, als een strik’ (vers 34). Als een ballon vastgebonden is kan hij niet opstijgen. Samenvattend kunnen we zeggen dat Lucas 12:36 van de argumenten van zowel de eerste als de tweede school geen spaan heel laat. De tweede school zou toch nog andere argumenten aan kunnen voeren, zoals (1) de opname is niet afhankelijk van iemands levenswandel - maar wij moeten ons afvragen of een vleselijke gelovige die overspel bedrijft wordt opgenomen; of (2) dat de zin ‘al deze dingen’ niet op de G.V. slaat maar op brasserijen, dronkenschap, en zorgen voor levensonderhoud in vers 34. Maar daarop zeggen wij dat er staat geschreven in vers 36: ‘(...) al deze dingen, die geschieden zullen’ (SV) - terwijl ‘brasserijen, dronkenschap, en zorgen voor levensonderhoud’ dingen zijn die nu al geschieden. En daarom betekent ‘waakt’ dat men zich door zulke activiteiten niet moet laten misleiden.

   

 

    C. Andere bewijzen zijn:

             (1) Als wij Mattheüs 24:42 samen met I Thessalonicenzen 5:2, 4 lezen, dan zien wij duidelijk dat er tenminste twee opnames zijn: want merk op dat de eerste tekst een opname suggereert voor de G.V. want men moet waakzaam zijn omdat men niet weet wanneer de Here komt; terwijl de volgende twee teksten suggereren dat er een opname na de G.V. is omdat men hier plotseling wel weet wanneer de dag des Heren aanbreekt.

             (2) De plaatsen waarheen men opgenomen wordt zijn ook verschillend. Terwijl Openbaring 7:15 ‘de troon van God’ noemt, en Lucas 21:36 het heeft over het ‘gesteld worden voor het aangezicht van de Zoon des mensen,’ zegt I Thessalonicenzen 4:17 dat het ‘in de lucht’ is - deze verschillen tonen aan dat niet alle gelovigen op hetzelfde tijdstip worden opgenomen.

             (3) Marcus 13 zegt: ‘Maar van die dag of van die ure weet niemand, ook de engelen in de hemel niet, ook de Zoon niet, alleen de Vader’ (vers 32). De dag van Christus’ komst is dus niet bekend. Maar I Thessalonicenzen 4 zegt dat de Here zelf op een teken, bij het roepen van een aartsengel en bij het geklank ener bazuin Gods, zal nederdalen uit de hemel (vers 16). En uit deze tweede passage kunnen wij afleiden dat de verschijning van Christus plaatsheeft na het klinken van de zevende bazuin. De eerste tekst wijst dus op een opname voor de G.V. en de tweede tekst op een opname na de G.V.

 

 

    VI. Vragen en antwoorden aangaande een gescheiden opname zijn hieronder weergegeven.

 

        A. Sommige mensen zeggen dat er geen gescheiden opname der Gemeente kan plaatshebben omdat het Lichaam van Christus niet gedeeld kan worden. Men moet echter in de gaten houden dat het woord ‘Lichaam’ een wijze van spreken is om eenheid in leven uit te drukken. De Gemeente deelt hetzelfde Leven. Als het Lichaam letterlijk genomen moet worden dan is er vandaag al een scheiding omdat de Here in de hemel is, Paulus is al gestorven, wij leven nog op aarde, en sommige gelovigen moeten nog geboren worden.

 

        B. Anderen maken de tegenwerping dat de opname bij de verlossing is inbegrepen; en omdat de verlossing uit genade is kan de opname niet afhankelijk zijn van waardigheid. Er moet echter op gewezen worden dat de ‘verandering’ (I Kor. 15:51-52) inderdaad uit genade is, maar het opgenomen worden is een zaak die door onze werken wordt beslist.

 

        C. Sommigen zeggen: Is het niet wreed om de Gemeente haar hoop te ontnemen? Daarop moeten wij antwoorden dat nergens in de Schrift zulk een valse hoop gegeven wordt; het is daarom beter om de mensen van te voren op dit feit te wijzen en ze te waarschuwen.

 

        D. Sommigen zeggen dat I Korinthiërs 15:23 alleen spreekt over ‘zij die van Christus zijn,’ en dat er niets over werken wordt gezegd. Maar bedenk dat het in dit vers niet gaat over de opname maar over de opstanding.

 

        E. De doden hoeven niet door de G.V. te gaan; is het niet wat oneerlijk ten opzichte van de levenden die er wel doorheen moeten? Is dat niet onrechtvaardig? We hoeven ons hier echter geen zorgen over te maken. Want tijdens het Duizendjarig Rijk zal iedere gelovige (ook zij die voor de G.V. gestorven waren) moeten verschijnen voor de rechterstoel van Christus, en de dingen ontvangen die hij of zij in het lichaam gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad (II Kor. 5:10).

 

        F. Omdat in I Korinthiërs 15:50-52 het woord ‘allen’ wordt gebruikt (‘Allen zullen wij niet ontslapen, maar allen zullen wij veranderd worden’) is het toch duidelijk dat het hier het gehele Lichaam betreft? Zeker, het woord ‘allen’ verwijst naar het gehele Lichaam, maar het verwijst niet naar een verandering op hetzelfde tijdstip. Bijvoorbeeld: wij zullen allemaal sterven, maar wij zullen zeker niet allemaal op dezelfde dag sterven.

 

        G. Sommigen zeggen: er wordt in de Bijbel onderscheid gemaakt tussen het koren en het onkruid, maar niet tussen koren en koren. Daarom moet al het koren worden opgenomen. Maar men moet bedenken dat niet al het koren op hetzelfde tijdstip rijp is. Er zijn eerstelingen, en er is de grote oogst die later komt.

 

        H. Sommigen werpen tegen dat volgens I Thessalonicenzen 4:15 ‘de levenden in geen geval de ontslapenen zullen voorgaan.’ De doden zullen worden opgewekt bij de zevende bazuin, dus de opname vindt blijkbaar plaats na de G.V. Als er nu een eerste opname is, dan moet deze plaatsvinden voor de opstanding der doden. Maar omdat dit vers zegt: ‘in geen geval,’ hoe kan de opname dan twee keer plaatsvinden? Het is kostbaar en veelzeggend om in vers 15 en 17 te lezen: ‘wij, levenden, die achterblijven’ - Te leven, staat dus gelijk met achterblijven op aarde; waarom is hier dan die schijnbaar onnodige herhaling? Omdat het impliceert dat er mensen zijn die, hoewel zij leven, al voorgegaan zijn (opgenomen zijn), en dus niet langer achterblijven op aarde. Zou Paulus zichzelf rekenen onder degenen die leven en achterblijven? Absoluut niet. Hij gebruikt het woord ‘wij’ alleen maar omdat hij spreekt op het moment waarop deze woorden worden opgeschreven. Het bewijs hiervoor is dat Paulus en degenen tot wie hij sprak niet gerekend kunnen worden onder degenen die achterblijven omdat zij nu niet meer leven.  

    Onze samenvattende conclusie is dat de derde school de juiste schijnt te zijn, dat wil zeggen, dat één groep van gelovigen zal worden opgenomen voor de G.V. terwijl de andere groep door de G.V. zal gaan en daarna wordt opgenomen.