De Grote Eindtijdprofetie van Jezus in Mattheüs 24 en 25 – Deel I

 


 

De Rede over de Laatste Dingen

 


 

Door Watchman Nee

 


 

Uit: The King and the Kingdom of Heaven

 


 

 

   Nu wij ons een goed begrip hebben gevormd van de opname willen wij verder gaan met Mattheüs 24 en 25. Deze twee hoofdstukken bevatten profetieën over (1) de Joden, (2) de Gemeente, en (3) de heidenen. Naast de inhoud van het boek Openbaring bevatten deze twee hoofdstukken de belangrijkste profetieën voor de tijd waarin wij leven. Terwijl het boek Openbaring veel details noemt, reikt Mattheüs ons alleen principes aan. Deze twee hoofdstukken zijn niet erg makkelijk om te lezen. Zo’n honderd jaar geleden (dit werd rond 1930 gezegd) bleek dat er maar weinig mensen waren die er aandacht aan schonken. Sinds 1828 echter (het jaar waarin de beweging van de Broeders een aanvang nam) begonnen de mensen deze hoofdstukken zorgvuldig te bestuderen. Vanwege verschillende achtergronden houden Bijbelstudenten er verschillende interpretaties op na. Er zijn echter drie belangrijke scholen die ieder op hun eigen wijze de twee hoofdstukken interpreteren: (a) dat alle profetieën de Gemeente betreffen, zoals onder meer Benjamin Newton leert; (b) dat alles wat beschreven is in deze hoofdstukken alleen de Joden aangaat, hetgeen ook J. N. Darby en C. I. Scofield denken; en (c) dat sommige dingen betrekking hebben op de Joden en sommige op de Gemeente, hetgeen onze overtuiging is. De reden voor deze verschillen ligt in het verschil in antwoord dat men geeft op de vraag waar de discipelen voor staan; vertegenwoordigen zij: (a) de Gemeente; (b) de Joden; of (c) het Joodse overblijfsel zowel als de pilaren van de Gemeente.

    Hoe wij deze twee hoofdstukken onderverdelen en uitleggen is van groot belang, anders zullen de eerste twee scholen ons in verwarring brengen. Laten wij eens gaan kijken naar de achtergrond van deze twee hoofdstukken in hoofdstuk 21- 23. In Mattheüs 21:43 profeteerde de Here Jezus dat het Koninkrijk Gods van de Joden afgenomen zou worden. In hoofdstuk 22:21 zien we dat Hij de Joden beveelt zich te onderwerpen aan de heidense autoriteiten. En in hoofdstuk 23 zien wij dat Hij een strafrede tegen de Farizeeën houdt. Het ‘huis’ in hoofdstuk 23:38 is de ‘tempel’ in 24:1. In 23:38 zou eigenlijk moeten staan ‘Mijn Vaders huis,’ maar op een gegeven moment werd de term ‘uw huis’ gebruikt. Dit alles toont aan dat de Here de kinderen Israëls verworpen heeft. Dit nu, is de achtergrond van hoofdstuk 24 en 25. De Here heeft dus twee groepen mensen voor zich staan: (1) de verworpen Joden, en (2) een volk dat vrucht kan dragen (21:43). In dit verband kunnen de discipelen dus (a) de Joden symboliseren, en (b) de ‘eruit geroepenen.’ We krijgen dus op die manier een combinatie van de Joden en de Gemeente. Het is voor ons erg belangrijk dat wij uitvinden welk deel betrekking heeft op de Joden en welk deel op de Gemeente. Volgens ons (en ook volgens anderen, zoals D. M. Panton, die Matt. 24:31 zag als een duidelijke scheidslijn), heeft 24:1-31 betrekking op de Joden, terwijl 24:32-25:46 betrekking heeft op de Gemeente. Deze onderverdeling is gebaseerd op de volgende bewijzen:

 

    A. 24:1-31 slaat op de Joden omdat hier alles letterlijk wordt geïnterpreteerd; maar 24:32-25:46 gaat over de Gemeente omdat daar alles geestelijk wordt geïnterpreteerd. Bijvoorbeeld: het woord ‘winter’ in 24:20 wordt letterlijk bedoeld, omdat het een feit is dat het moeilijk is om in de winter te vluchten (‘sabbat’ moet ook letterlijk worden opgevat); ‘zomer’ in vers 32 moet echter geestelijk worden uitgelegd omdat het wijst op het spoedige aanbreken van het Koninkrijk (terwijl de ‘vijgeboom’ Israël vertegenwoordigt). Een ander voorbeeld: in 24:26 is de ‘binnenkamer’ een echte binnenkamer, terwijl het ‘huis’ in vers 43 geestelijk bedoeld is. Dat wat de Joden aangaat moet dus letterlijk worden geïnterpreteerd, maar dat wat de Gemeente aangaat moet geestelijk worden geïnterpreteerd (zie Matt. 13:11-13).

 

    B. Het gedeelte vóór Matt. 24:31 heeft een Joodse achtergrond, zoals duidelijk wordt door het gebruik van woorden als ‘de heilige plaats’ (v.15), ‘in Judea’ (v.16), en ‘sabbat’ (v.20); maar het gedeelte 24:31 kent absoluut geen plaatselijke begrenzingen of iets van dien aard.

 

    C. De dingen die genoemd worden vóór 24:31 zijn stoffelijk, fysiek van aard, terwijl de dingen die er na komen moreel van aard zijn. Bijvoorbeeld: de volkeren, de moeders met kinderen, en de kinderen die in het eerste deel worden genoemd hebben allemaal een letterlijke betekenis; maar de maagden, het dienstvolk en de heer des huizes, en de schapen en de bokken in hoofdstuk 25 geven ons allemaal een morele boodschap.

 

    D. Vóór 24:31 worden er geen morele eisen gesteld; wat de Joden aangeraden wordt is vluchten. Maar ná vers 31 worden er morele eisen gesteld zoals: waakt, weest bereid, enz. - deze handelingen zijn de verantwoordelijkheden van de heiligen in de eindtijd.

 

    E. Omdat de Joden nog steeds de Messias verwachten worden er valse Christussen genoemd voor vers 31; maar na vers 31 wordt er met geen woord meer over valse Christussen gesproken, omdat het laatste gedeelte tot de Gemeente gericht is.

 

Samenvattend kunnen we zeggen dat Mattheüs 24:1-31 tot de Joden gericht is; Mattheüs 24:32-25:30 is tot de Gemeente gericht; en Mattheüs 25:31-46 is gericht tòt de Gemeente en gaat óver de heidenen. Misschien kan een schema één en ander verduidelijken:

 

 

 

 

 

Introductie: de drievoudige vraag van de discipelen, 24:1-3

 

v.1 Toen de discipelen zich nog eens omdraaiden en naar de gebouwen van de tempel keken vonden zij dat alles geweldig. Geen andere natie op aarde had zulk een heilige plaats. De stenen van de tempel zijn zeer mooi. De gouden vaten in de tempel blinken en zijn erg duur.

 

v.2 ‘Ziet gij dit alles niet?’ - ‘Deze dingen’ verwijst naar de grote stenen en de gouden vaten. De Here kent hun gedachten. ‘Voorwaar, Ik zeg u ...... er zal hier geen steen op de andere gelaten worden, die niet zal worden weggebroken’ - De mensen kijken naar het uiterlijk en het tijdelijke, maar de Here, met Zijn geestelijk inzicht, kijkt dwars door het zichtbare heen. In de ogen van de mensen van vandaag is de wereld erg mooi en beschaafd. Maar als de mens de wereld met het geestelijk oog van de Here bekijkt dan kan hij zien dat de aarde met al zijn materiële dingen uiteindelijk verbrand zal worden. Waarom zouden wij gelovigen onze aandacht dan nog richten op de dingen dezer aarde?

Maar typologisch gezien kan de tempel ook de Gemeente vertegenwoordigen. De kerk van vandaag bestaat voor een groot deel slechts nog in naam en heeft haar levende realiteit verloren. Zij gaat door met het houden van erediensten zoals dat eertijds in de tempel gebeurde. Waarom herhaalde de Here de vraag van de discipelen en gaf Hij dit vreemde antwoord? Zijn vragen laat zien dat als de discipelen niet dezelfde houding aannemen als Hij zij niet in staat zullen zijn de profetieën te verstaan. Mensen die zich bezighouden met de wereld schenken geen aandacht aan de profetieën. De discipelen kunnen het licht van de profetieën niet ontvangen door ze te lezen, want het licht dat de wereld uitstraalt maakt hen blind. Zij weten niet dat - hoe goed en mooi de wereld ook lijkt te zijn - de dag zal komen dat zij zal worden verbrand met vuur. Waarom zegt de Here hier dat zulk een prachtige tempel aan de kinderen Israëls woest wordt overgelaten (Matt. 23:38, Telos)? Eenvoudigweg omdat de heerlijkheid van de tempel niet gelegen is in goud, zilver, en kostbare schatten, maar in de aanwezigheid van de Here.

    Als de Here weg is, waartoe dient de tempel dan nog met al zijn goud en schatten van de wereld? Laten wij als Gods tempel er voor zorgen dat wij niet de uiterlijke vorm hebben, maar de aanwezigheid van God. ‘Er zal hier geen steen op de andere gelaten worden, die niet zal worden weggebroken’ - In 70 na Chr. werd deze profetie letterlijk vervuld. De Romeinse soldaten vielen onder generaal Titus Jeruzalem binnen, staken de tempel in brand, en schraapten het door het vuur gesmolten goud van de stenen af.

 

    v.3  Toen Hij op de Olijfberg gezeten was’ - Mattheüs noemt het woord ‘berg’ tien keer, en iedere keer staat het in verband met iets speciaals. Op twee van deze plaatsen zien wij duidelijk enige gelijkenis in de situatie - namelijk in 5:1 en 24:3. Op de berg in 5:1 spreekt de Here over de wetten van het Koninkrijk der Hemelen, Hij legt uit wat de voorwaarden zijn om in het Koninkrijk binnen te kunnen gaan, en Hij spreekt over het feit van het heersen met Hem in de toekomst. Op de Olijfberg (24:3) zullen wij opmerken dat Hij zich concentreert op profetieën aangaande de opname, de Grote Verdrukking, en het oordeel.

    Waarom spreken op een berg? Omdat de toehoorders de berg moeten beklimmen wordt duidelijk dat er een prijs moet worden betaald. Allen die de prijs niet willen betalen zullen de profetieën niet kunnen verstaan. De reden waarom mensen niet graag luisteren naar profetie of waarom zij het feit van de wederkomst ontkennen is gelegen in de onwil om de berg te beklimmen en de prijs te betalen. Er heerst rust op de berg, en het was ook stil op het eiland Patmos waar Johannes de inhoud van het boek Openbaring ontving. De rumoerigen zijn niet in staat profetie te studeren.

    De vraag van de discipelen is een drievoudige: (a) Wanneer zullen deze dingen geschieden (Telos)? (b) Wat is het teken van Uw komst? en (c) Wat is het teken van de voleinding der wereld? Deze drie vragen moeten niet door elkaar gehaald worden. De Here beantwoordt de vragen van de discipelen één voor één. De eerste vraag: vers 4-15; de tweede vraag: vers 15-28; de derde vraag: vers 29-31. Wat betreft de eerste vraag geven Marcus en Lucas zeer gedetailleerd antwoord. Omdat Mattheüs een wat breder gebied bestrijkt moet het antwoord op de eerste vraag in Mattheüs 24:4-14 worden aangevuld met de verslagen van Marcus en Lucas. Marcus noch Lucas geven direct antwoord op de twee andere vragen, hoewel zij geen gebrek aan onderricht hebben aangaande deze dingen. Dat komt vooral omdat bijvoorbeeld Lucas de opname niet als hoofdonderwerp heeft.

 

 

 

De Eerste Vraag van de Discipelen

 

    Wat de eerste vraag betreft (‘Wanneer zullen deze dingen geschieden?’), moeten wij eerst de volgende vraag stellen: wat zijn ‘deze dingen’ eigenlijk? Omdat ‘deze dingen’ meervoud is moeten er andere dingen meespelen dan alleen de verwoesting van de tempel. Door te kijken naar de achtergrond in Mattheüs 23 (want wij moeten er opnieuw rekening mee houden dat de verdeling van de Bijbel in verzen en hoofdstukken niet geïnspireerd is), zullen wij zes dingen opmerken: (a) dat de kinderen Israëls vol moeten worden met de maat der zonde van hun vaderen (23:32); (b) dat de Here profeten, wijzen en Schriftgeleerden tot hen zal zenden (23:34), waarbij wij opmerken dat de hiergenoemde profeten geen Oud-Testamentische profeten zijn, omdat de Here zegt: ‘van hen zult gij sommigen doden en kruisigen,’ en in de tijd van het Oude Testament werden mensen niet gekruisigd; (c) dat de Here zich wreken zal op de boosaardige kinderen Israëls (23:35-36); (d) dat de heilige tempel zal worden verwoest (24:2); (e) dat het huis Israëls zal uitzien naar de komst van de Here en zal uitroepen: ‘Gezegend Hij, die komt in de naam des Heren’ (23:39); en (f) dat de Here de kinderen Israëls zal vergaderen gelijk een hen haar kuikens onder haar vleugels vergadert (23:37).

    Omdat de discipelen aangaande deze zes dingen vragen stellen moeten de antwoorden die de Here geeft logischerwijze ook deze zes vragen beantwoorden. Dit kunnen we zien in hoofdstuk 24: (a) de kinderen Israëls worden vervuld met de maat der zonde van hun vaderen (24:10-12); (b) ‘u’ in 24:9 zijn degenen die door de Here gezonden zijn; (c) ten gevolge van wat de kinderen Israëls doen aan de profeten zal de Here zich aan hen wreken met verdrukking (24:21-22); (d) de heilige tempel zal worden verontreinigd en verwoest zoals geprofeteerd is door Daniël (24:15); (e) de kinderen Israëls zullen de komst van de Here verwachten (24:30) - want merk op dat de zin ‘alle stammen der aarde’ naar de twaalf stammen van Israël verwijst (het Griekse woord voor aarde (ge - uitspraak ghay) kan ook ‘land’ betekenen, in de zin van een land met duidelijke landsgrenzen); en (f) de Here zal Zijn uitverkorenen verzamelen (24:31).

 

 

                      

De Tweede Vraag van de Discipelen

 

    Wat betreft de wederkomst (‘Wat is het teken van uw komst’) is het noodzakelijk drie Griekse woorden te onderscheiden: (1) parousia, (2) apokalupsis, en (3) epiphaneia.

 

    Het woord dat de discipelen gebruiken als zij de Here naar Zijn ‘komst’ vragen is het Griekse woord parousia, hetgeen vertaald moet worden met ‘tegenwoordigheid’ of ‘aanwezigheid’ - het wordt 24 keer in de Schrift gebruikt. Naast de zeven keer waar het woord parousia op mensen slaat (I Cor. 16:17; II Cor. 7:6, 7; 10:10; Fil. 1:26, 2:12; en II Thess. 2:9), verwijst het de andere zeventien keer naar de Here (Matt. 24:3, 27, 37, 39; I Cor. 15:23; I Thess. 2:19, 3:13, 4:15, 5:23; II Thess. 2:1, 8; Jak. 5:7, 8; II Petr. 1:16, 3:4, 12; en I Joh. 2:28).

    Het woord apokalupsis (hetgeen ‘onthullen,’ ‘blootleggen’ of ‘openbaren’ betekent) komt in de Schrift op de volgende plaatsen voor: I Petr. 1:7, 13, 4:13; I Cor. 1:7; en II Thess. 1:7. ‘Openbaring’ wordt gegeven om mensen iets te doen verstaan.

    Het woord epiphaneia (hetgeen ‘verschijnen’ betekent) wordt gebezigd in: I Tim. 6:14; II Tim. 1:10, 4:1, 8; Titus 2:13; en II Thess. 2:8. De ‘verschijning’ heeft tot doel de mensen ‘iets’ te laten zien. Het woord ‘komst’ in Mattheüs 24:3 is parousia (‘tegenwoordigheid’). Waarom gebruikt de Heilige Geest nu juist dit woord? Mogelijk omdat de zaak van de komst van de Here nogal gecompliceerd is, en het woord parousia heeft een nogal ruime betekenis.

    De parousia (of ‘tegenwoordigheid’) van de Here neemt een aanvang met de eerste opname (beter gezegd: ‘wegrukking’) naar de troon van God. ‘Hebt dus geduld, broeders, tot de parousia des Heren!’ (Jak. 5:7). ‘Oefent ook gij geduld, sterkt uw harten, want de parousia des Heren is nabij (5:8). Zoals wij al eerder opmerkten zullen allen die ‘het woord van de volharding van Christus’ hebben gehouden deelhebben aan de eerste opname (Openb. 3:10). Kijk ook naar II Petr. 3:4, waar gevraagd wordt: ‘Waar blijft de belofte van Zijn parousia?’

    I Thessalonicenzen spreekt van (1) het staan voor de Here Jezus bij Zijn parousia (2:19), (2) de tijd van de parousia van de Here met al Zijn heiligen (3:13), (3) hoe wij opgenomen zullen worden en de Here zullen ontmoeten in de lucht ten tijde van Zijn parousia (4:15-17, en (4) het onberispelijk bewaard blijven van onze geest, onze ziel, en ons lichaam bij de parousia van de Here (5:23).

    Wat gebeurt er allemaal tijdens de parousia? (a) Allen die van Christus zijn zullen worden opgewekt (I Cor. 15:23); (b) bij de parousia van de Here zullen alle gelovigen zich samen verenigen met Hem (II Thess. 2:1); (c) tijdens Zijn parousia zal Hij afrekenen met de anti-Christ (II Thess. 2:8); en (d) de wetteloze zal zijn eigen parousia hebben (II Thess. 2:9). Als wij In Christus blijven hebben wij vrijmoedigheid en hoeven wij niet beschaamd te staan bij Zijn parousia (I Joh. 2:28).

   Wij kunnen op deze wijze uit de Schrift opmaken dat de parousia de troon en de lucht omvat. Het begint met de eerste opname en het eindigt met de verschijning van Christus en Zijn heiligen op aarde. De parousia staat dus tussen de bedeling van de Gemeente en het Koninkrijk in. Het omvat (1) de eerste opname naar de troon, (2) verdrukking en de Grote Verdrukking, (3) de Here daalt af naar de lucht, (4) de algemene opname van gelovigen naar de lucht, en (5) de verschijning van Christus met Zijn heiligen op aarde. 

 

Misschien kan het volgende diagram een en ander verduidelijken:

                                                                                                                                

 

 

 

 

  Gedurende de parousia zijn er drie perioden die zich afspelen op drie locaties: (zie het middelste vak op de vorige pagina): Aan het begin van de parousia worden (1) de overwinnende gelovigen weggerukt naar de troon (Matt. 24:37, 40-41). Na een tijdje (2a) daalt de Here met deze heiligen van de hemel neer naar de lucht (I Thess. 4:15-17, I Cor. 15:23) - (bedenk dat de troon op het ogenblik in de hemel is - Openb. 4:1-2). Intussen (2b) staan de doden in Christus op, en de levende gelovigen die achterbleven toen de eerste opname (naar de troon) plaatsvond, zullen samen met de herrezen doden in Christus in een oogwenk worden weggevoerd naar de lucht. Daar zullen zij de parousia met de Here ervaren. En tenslotte eindigt de parousia (3) met het verschijnen van de Here en Zijn heiligen op aarde wanneer zij neerdalen uit de lucht. Dan zal Hij de anti-Christ vernietigen door de explosie van heerlijkheid die Zijn parousia teweeg zal brengen (II Thess. 2:8-9).

    Wat moet de houding van gelovigen zijn ten opzichte van de parousia? Geduldig wachten (Jak. 5:7-8); het hart versterken zodat het onberispelijk is in heiligheid (I Thess. 3:13); geest, ziel, en lichaam onberispelijk bewaren (I Thess. 5:23).

    Wat zal er gebeuren met de gelovigen tijdens de parousia? Een ieders werk zal beoordeeld worden (I Thess. 2:19, I Joh. 2:28, I Cor. 3:12, 15). Een type van de parousia vinden we in I Petrus 1:16, 18, een verwijzing naar de verheerlijking op de berg.

    Omdat de parousia het middelpunt is van de leerstellingen aangaande de tijd van het einde en het Koninkrijk is het erg belangrijk dat wij de parousia en alles wat het omhelst heel goed verstaan.

    Er zijn twee andere woorden verbonden met parousia: (1) apokalupsis - ofwel: de Here ‘openbaart’ Zichzelf door de bedekking die om Hem heen is weg te nemen, en (2) epiphaneia - als de bedekking weggenomen is kunt u de Here zien die is ‘verschenen.’ Velen nemen aan dat het verschijnen van de Here op zich laat wachten tot Hij naar de aarde komt. Maar dit is niet juist. Want apokalupsis en epiphaneia hebben ook te maken met de Gemeente. Zeker, de Here zal verschijnen zodat Hij door de gehele wereld gezien zal worden. Maar Hij verschijnt ook aan de Gemeente. Want de parousia omhelst zowel apokalupsis als epiphaneia. Als wij de parousia (‘tegenwoordigheid’) van de Here hebben, dan hebben wij zeker ook Zijn apokalupsis (ofwel: Hij ‘openbaart’ zichzelf aan ons) èn Zijn epiphaneia (ofwel: Hij wordt ‘gezien’ door ons). Als wij wachten op Zijn parousia dan wachten wij ook op Zijn apokalupsis en Zijn epiphaneia - het kennen en zien van de Here. Wij wachten niet op Zijn komst naar de aarde. De Here is dan wel bij ons vandaag, maar deze tegenwoordigheid is geestelijk en door het geloof. Wij zien uit naar die dag waarop wij Hem zullen zien van aangezicht tot aangezicht.

    In de Griekse tekst is er nog een ander woord dat verband houdt met de wederkomst van Christus dat de moeite waard is om onder de aandacht te brengen. Dat woord is erchomai - hetgeen ‘komen’ betekent, en dus een werkwoord is. Zoals wij al zagen is parousia een zelfstandig naamwoord dat ‘aanwezigheid’ betekent, maar gezien het feit dat het een zaak van aanwezigheid betreft moeten er tenminste twee personen bij betrokken zijn: om die reden is de opname bij de parousia inbegrepen. Maar als er gezegd wordt: de Here ‘komt’ (erchomai), dan is de opname van de gelovigen er niet bij inbegrepen.

    Het woord erchomai (of de variant ervan) wordt zeven keer in Mattheüs 24 gebruikt, en tenminste zes keer in Mattheüs 25 (24:5, 30, 39, 42, 43, 44, 46; 25:10, 11, 19, 31, 36, 39).

    Er is nog een ander Grieks woord, proserchomai, dat ‘voorwaarts komen’ of ‘toetreden’ betekent (zie Matt. 24:1; 25:20, 22, 24).

    Dan is er het woord  deute (meervoud van deuro) hetgeen betekent: ‘kom hier’ (zie Matt. 25:34).

    En het woord heko, hetgeen betekent: ‘aanwezig zijn,’ ‘gekomen,’ ‘komen over iemand,’ (van positieve of negatieve dingen), of ‘komen tot’ (zie Matt. 24:14, 50). Al deze woorden laten ons zien hoe zorgvuldig de Heilige Geest Zijn woorden kiest.

 

 

 

De Derde Vraag van de Discipelen

 

    Wat betreft de derde vraag (‘Wat is het teken ... van de voleinding der wereld?’) merken wij op dat er twee Griekse woorden in het N.T. zijn die worden vertaald met de ‘wereld:’ (1) kosmos - de georganiseerde wereld, het materiële, tastbare deel ervan; en (2) aion - eeuw, hetgeen op een tijdsduur (tijd, tijden) wijst. Wanneer de Schrift spreekt van dat wat ‘van de wereld’ is (zoals in bijv. Joh. 17:14), dan betekent dit het verstrikt raken in de dingen van de gesystematiseerde wereld; als de Bijbel zegt ‘gelijkvormig aan deze wereld’ (Rom. 12:2) dan betekent dat het gegrepen worden door de huidige trends en ontwikkelingen in de wereld. Het Griekse woord voor ‘wereld’ dat hier in Mattheüs 24:3 wordt gebruikt is aion. Wat de discipelen hier dus vragen is: ‘Wat is het teken ... van de voleinding der tijden?’ Nu is ‘de voleinding der tijden’ een specifieke term. Men kan het ook ‘het einde’ noemen, ‘voltooiing,’ of ‘vervulling’ - hetgeen met name wijst op de 3½ jaar van de Grote Verdrukking. Dit einde der tijden is het einde van de bedeling (vastgestelde tijdsperiode) der genade voor de heidenen en de Gemeente. Het begint met de wegrukking naar de troon en eindigt met het verschijnen van Christus en Zijn heiligen op aarde, vanuit de lucht. Wat de tijd van ‘het einde’ betreft, deze valt samen met de parousia; maar wat de plaats van deze twee dingen betreft is er een groot verschil, want parousia heeft betrekking op de dingen die boven zijn, de dingen die boven gebeuren, terwijl ‘het einde’ betrekking heeft op de dingen op aarde.

    Laten wij opnieuw eens gaan zien wanneer het eerste deel van Mattheüs 24-25 (24:4-31) wordt vervuld. Er zijn twee algemene interpretaties: (1) dat het werd vervuld in 70 na Chr. toen Titus Jeruzalem verwoestte, omdat vers 2 al helemaal vervuld is; of (2) dat het nog vervuld moet worden, omdat het onderwerp van Mattheüs 24 de Grote Verdrukking is. Onder degenen die de visie in punt 1 aanhangen bevindt zich onder andere C. I. Scofield, en J. N. Darby is één van degenen die punt 2 aanhangen.

    Wij kunnen zeven argumenten aanvoeren die zich tegen de eerste visie keren: (a) Hoewel er mensen zijn geweest die beweerden de Christus te zijn was er niet één die een wonder verrichte (24:24) - (b) ‘De gruwel der verwoesting’ (een afgodsbeeld wordt in de tempel geplaatst) is nog niet gekomen: de eerste school beweert dat dit werd vervuld toen de Romeinse vlag in de tempel werd gehesen - maar toen dat gebeurde kon geen enkele Jood meer vluchten, terwijl Mattheüs 24:15-16 zegt: ‘laten dan wie in Judea zijn, vluchten naar de bergen’ - (c) De Here beveelt de Joden om - als zij zien dat het afgodsbeeld in de tempel wordt geplaatst - te vluchten, haastig wel te verstaan; maar in 70 na Chr. was het niet nodig om haastig te vluchten - (d) De verwoesting van Jeruzalem zal gevolgen hebben voor de hele wereld, maar ten tijde van de verwoesting in 70 na Chr. waren de gevolgen niet wereldwijd - (e) In die dagen wankelden de machten der hemelen (hemellichamen) niet (24:29) - (f) Na de verwoesting zal de Here verschijnen, maar Hij verscheen niet na de verwoesting van Jeruzalem in 70 na Chr. - (g) Dit deel van Mattheüs 24:4-31 loopt parallel met wat wij lezen in Openbaring 6. Het boek Openbaring werd geschreven in ± 96 na Chr., en de historische verwoesting van Jeruzalem door Titus had plaats in 70 na Chr. Als dit eerste deel volledig vervuld zou zijn in 70 na Chr. waarom zou Johannes 26 jaar later deze gebeurtenis dan nog opschrijven in zijn profetische geschriften? De verwoesting van de tempel (naast de verwoesting door de Babyloniërs in ± 586 voor Chr.) zal nog twee keer plaatsvinden. ‘En het volk van een vorst die komen zal, zal de stad en het heiligdom te gronde richten’ (Dan. 9:26). Dit zal gebeuren tijdens de laatste jaarweek nadat de 62 jaarweken voorbij zijn gegaan. En de term ‘het einde’ wordt herhaaldelijk gebruikt in Daniël en Mattheüs 24 om aan te tonen dat er een tweede verwoesting is (waarvan de eerste die in 70 na Chr. was).

    Door andere Schriftplaatsen er bij te nemen, zoals in Openbaring, kunnen wij ons een beter begrip vormen van de tweede verwoesting van de heilige tempel: ‘Maar laat de voorhof, die buiten de tempel is, erbuiten, en meet die niet; want hij is aan de heidenen gegeven; en zij zullen de heilige stad vertreden, tweeënveertig maanden lang’ (11:2). Samenvattend kunnen wij concluderen dat Mattheüs 24: 4-6 al vervuld is, dat vers 7-14 nog niet helemaal vervuld is omdat deze dingen nog aan de gang zijn, en dat vers 15-31 nog vervuld moeten worden.

 

 

 

De drie evangeliën met elkaar vergeleken

 

    Marcus 13 en Lucas 21 geven hetzelfde onderwerp weer als Mattheüs 24 en 25, maar er zijn enkele verschillen. Alle drie evangeliën vermelden de eerste vraag: maar het antwoord is in Marcus en Lucas veel gedetailleerder dan in Mattheüs. De tweede vraag is in Marcus en Lucas anders dan de tweede vraag in Mattheüs, en de derde vraag, betreffende het einde, krijgt in Marcus en Lucas een heel andere betekenis, zoals wij straks zullen zien. Laten wij nu deze verschillen eens gaan bekijken.

    Wat betreft de eerste vraag zeiden wij al dat Marcus en Lucas veel gedetailleerder zijn dan Mattheüs. Zij geven alles weer wat Mattheüs zegt, behalve de zin: ‘En dit evangelie van het koninkrijk zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken, en dan zal het einde gekomen zijn’ (Matt. 24:14). Merk ook op Mattheüs zich vooral richt op de tempel, terwijl Lucas zich meer richt op de heilige stad (‘Zodra gij nu Jeruzalem door legerkampen omsingeld ziet, weet dan, dat zijn verwoesting nabij is’ - Luc. 21:20): want de vraag in Lucas is wat het teken zal zijn van de verwoesting van de tempel, waarop een antwoord gegeven wordt in termen van wat er met Jeruzalem gebeuren zal. In Mattheüs echter verwijst deze zelfde vraag aangaande een teken naar wat het teken zal zijn van het einde van de wereld. Lucas heeft het niet specifiek over valse Christussen, terwijl Marcus en Mattheüs deze term wel gebruiken (Matt. 24:23-24, Marc. 13:21-22). Dit komt waarschijnlijk omdat Lucas al eerder een duidelijke beschrijving van de valse Christussen gaf (Luc. 17:22-23). Het karakteristieke van Mattheüs is parousia: ‘Wat is het teken van uw parousia en van de voleinding der wereld?’ De discipelen stellen deze vraag heel goed, want de parousia en ‘de voleinding’ vinden op dezelfde tijd plaats. Het woord ‘en’ geeft aan dat zij hier onderscheid maken tussen parousia en ‘het einde.’ Dat toont aan dat de discipelen al wat inzicht hadden. Omdat Marcus en Lucas geen nadruk leggen op de parousia, maken zij geen melding van bepaalde gelijkenissen die Jezus in zijn antwoord in Mattheüs vertelde, zoals de dagen van Noach, de dienstknechten, de maagden, en de talenten. Deze gelijkenissen hebben duidelijk betrekking op de parousia.

    Er is nog een ander punt waarin alle drie evangeliën met elkaar overeenstemmen, en dat is dat zij allemaal tot zowel de Joden als de Gemeente spreken: Marcus 13:5-27 is gericht tot de Joden, 28-37 tot de Gemeente; Lucas 21:8-21 is gericht tot de Joden; 29-36 tot de Gemeente (merk op dat in deze twee evangeliën, net als in Mattheüs 24, de gelijkenis van de vijgeboom aan de Gemeente wordt verteld).

    Wat betreft de derde vraag, de vraag aangaande het einde, lijken Marcus en Lucas het tegenovergestelde te zeggen van wat Mattheüs zegt. Want deze vraag gaat zowel de Joden aan als de Gemeente. Mattheüs 24:20 zegt: ‘Bidt, dat uw vlucht niet in de winter valle en niet op een sabbat’ - dit is ongetwijfeld gericht tot de Joden. Lucas zegt echter dit: ‘Waakt te allen tijde, biddende, dat gij in staat moogt wezen te ontkomen aan alles wat geschieden zal, en gesteld te worden voor het aangezicht van de Zoon des mensen’ (21:36). Dit waken en bidden is moreel van aard en is daarom gericht tot de Gemeente. En hetzelfde kan gezegd worden van Marcus 13:33-37. Verder vermelden Marcus en Lucas niet de belofte van de opname die wordt vergeleken met de dagen van Noach omdat de vraag naar de parousia in Marcus en Lucas niet door de discipelen wordt gesteld (deze vraag wordt uiteraard wel in Mattheüs gesteld). De zin ‘de dagen van Noach’ is vooral verbonden met de parousia - de opname (vergelijk Matt. 24:37-39a met vers 39b-42).

    In het tweede deel van Mattheüs 24 zien wij twee tekenen: (a) de dagen van Noach - het teken van de parousia; en (b) de vijgeboom - het teken van de voleinding der tijden. Marcus en Lucas maken geen melding van de gelijkenis van de schapen en de bokken, want zij hebben het over het aanbreken van het einde, en niet over de dingen van het einde zelf, de dingen die gaan gebeuren. En deze gelijkenis beschrijft juist de dingen die aan het einde zullen gebeuren. De vijgeboom moet niet letterlijk worden geïnterpreteerd want het is een gelijkenis. Het verwijst naar het herstel van de Joodse natie. De woorden: ‘Wanneer zijn hout reeds week wordt en de bladeren doet uitspruiten’ (Matt. 24:32) beschrijft het leven in de natie. Door de onderdrukking van Hitler zijn er pas 120.000 Joden teruggekeerd naar Palestina (dit werd rond 1930 gezegd). En zelfs de regen, die ongeveer 2000 jaar niet is gevallen, begint nu weer te vallen.

 

 

 

Jezus’ eind-tijd profetie, deel I:

 

Aangaande de Joden, 24:4-31

 

     v.4 De discipelen hebben net een vraag gesteld over de verwoesting van de tempel. Dit is een zaak die hen bezig houdt. Als Jezus antwoord begint te geven waarschuwt Hij hen eerst toch vooral waakzaam te zijn opdat zij niet misleidt zullen worden. Voor een ieder die de profetieën bestudeerd is de belangrijkste beveiliging die Jezus hier aanreikt: ‘Ziet toe, dat niemand u verleide (misleidt)!’ Hoe triest is het dat veel gelovigen worden misleidt omdat zij geen aandacht schenken aan de profetieën: ‘En wij achten het profetische woord (daarom) des te vaster, en gij doet wèl, er acht op te geven als op een lamp, die schijnt in een duistere plaats’ (II Petr. 1:19). Niet misleidt worden is een teken dat men het geestelijk onderscheidingsvermogen heeft dat ‘ja’ niet voor ‘nee’ aanziet, of ‘nee’ voor ‘ja.’

 

   v.5-6 Door wie zullen zij het gevaar lopen misleidt te worden? (1) Door valse Christussen. In zijn boek De Joodse Oorlog schrijft de beroemde Joodse historicus Josefus hoe valse Christussen en valse profeten de Joden steeds weer konden misleiden door hen een wonderbaarlijke bevrijding te beloven. Deze valse Christussen konden hen misleiden omdat zij hadden geweigerd te geloven in de echte Christus. (2) Door oorlogen en geruchten van oorlogen. Na de dood van Christus verspreidden de geruchten van oorlogen zich razendsnel. ‘Ziet toe, weest niet verontrust; want dat moet geschieden, maar het einde is het nog niet’ - De discipelen vroegen wanneer de tempel verwoest zou worden, en de Here noemt hen twee tekenen: valse Christussen en oorlogen. Maar denk niet dat deze tekenen het einde aanduiden. Als deze twee tekenen vervuld zijn betekent dat alleen dat de tempel verwoest zal worden. Wees daarom niet verontrust door deze tekenen, want al deze dingen moeten inderdaad geschieden - maar het einde is het nog niet.

 

    v.7-8 Vers 7-8 gaat over dingen die ‘het begin’ vormen, terwijl vers 25-31 gaat over de dingen die gaan gebeuren aan het einde. Vers 7-8 beschrijft de toestand in de wereld gedurende de twintig eeuwen van wereldgeschiedenis vanaf de tijd van Christus. Na de ‘hongersn

oden’ zullen er ‘pestilentieën’ (SV) komen (allerlei ziekten en epidemieën; misschien wordt hier voornamelijk de pest bedoeld). Als het einde nadert zullen deze dingen vaker voorkomen en in omvang toenemen. Tijdens de Eerste Wereld Oorlog verloren tien miljoen mensen hun leven, en de materiële schade was enorm, mensen waren hun hele hebben en houden kwijt. Het totale aantal mensen dat sinds die tijd is gestorven in kleinere oorlogen is groter dan het aantal mensen dat in de Eerste Wereld Oorlog stierf. Sinds die tijd heeft de wereld nog geen dag vrede gehad: vijf miljoen mensen kwamen in Rusland om van de honger; tachtig miljoen Chinezen stierven van de honger na de grote overstroming. Eens stierven in nog geen twaalf weken zes miljoen mensen in Zuid Amerika ten gevolge van een epidemie; en vijf miljoen mensen stierven in India. In 1923 verwoestte een grote aardbeving in Japan in een paar uur veel gebieden in steden als Tokio, Kobe, en Osaka; er stierven meer dan 150.000 mensen. In 1927 stierven twee op de duizend mensen in de Chinese provincie Kansu door een grote aardbeving. Gemiddeld doen er zich per dag drie tot vier aardbevingen voor. Van een geestelijk standpunt uit gezien is vrede op aarde een wonder, terwijl oorlog  op aarde niet zo verwonderlijk is. Vroeger was oorlog een zaak van land tegen land (internationale oorlogen); maar nu zien we steeds vaker dat een volk tegen zijn eigen mensen vecht (burgeroorlog).

    De gebeurtenissen in Mattheüs 24:7-8 komen overeen met de zegels in het boek Openbaring. Het witte paard van het eerste zegel in Openbaring 6:2 is hoogstwaarschijnlijk een valse Christus (zie Matt. 24:5). Het rode paard van het tweede zegel (Openb. 6:4) is de oorlog waarvan in Mattheüs 24 gesproken wordt, want rood is de kleur van bloed, en een zwaard neemt uiteraard de vrede van de aarde weg. En zonder twijfel is het rode paard nu op aarde. Het zwarte paard van het derde zegel (6:5-6) betekent hongersnood, want mensen die sterven van de honger krijgen meestal een zwarte kleur op hun gezicht. De ‘weegschaal’ in Openbaring 6:5 suggereert dat voedsel zo duur wordt dat elke milligram telt. Een ‘schelling’ of ‘denarius’ (Darby), is het loon van één dag (zie Matt. 20:2). ‘Een maat tarwe voor een schelling’ betekent dat het inkomen van een man niet genoeg is om zijn gezin te onderhouden. ‘De olie en de wijn’ zijn luxe-artikelen, daarom mogen zij niet beschadigd worden. Het vale of grauwgroene paard van het vierde zegel (6:7-8) spreekt van de pest (de zwarte dood), omdat de gezichten van mensen die aan de pest sterven meestal grauwgroen zijn. Het dodenrijk, of ‘hades’ (zie Telos-vert.), is de plaats waar de doden heengaan; het dodenrijk volgt dus het grauwgroene paard. Hades verzamelt de doden door de pest zoals men met stoffer en blik het stof opveegt en in de afvalemmer gooit. Het vijfde zegel houd verband met de heiligen van God. De grote aardbeving van het zesde zegel is één van de aardbevingen die in Mattheüs 24: 7 worden genoemd (Telos). Op vijf verschillende plaatsen noemt het boek Openbaring een aardbeving, maar er doen zich in Openbaring maar drie aardbevingen voor, alle drie in Jeruzalem.

    Er zijn dus in totaal vier plagen: oorlogen, hongersnoden, de zwarte dood (pestilentieën), en aardbevingen. Deze vier plagen zijn ‘het begin der weeën’ (Matt. 24:8). De vrouw die barensweeën heeft ervaart eerst pijn maar daarna blijdschap. Voordat de Joden de vreugde van het Koninkrijk kunnen ervaren moeten zij eerst door pijnlijke ‘weeën’ heen. Wanneer de mensen deze dingen zien gebeuren kunnen zij gaan denken dat het einde gekomen is - niet wetende dat deze dingen slechts het begin van de weeën zijn. De smart in Psalm 48:7 en I Thess. 5:3 verwijst naar de ervaring van de heidenen. Als de wereld zegt dat het alles ‘vrede en veiligheid’ is (5:3, Telos), dan overvalt hen plotseling de rampspoed. Hoewel deze vier plagen pijnlijke weeën zijn, zijn zij slechts het begin van de Grote Verdrukking.

 

    v.9 Hier begint de echte verdrukking. Vers 9-13 is een klein gedeelte dat over vervolging gaat. Het woord ‘u’ verwijst hier naar de Joodse discipelen. Nog maar pas zijn zulke Joodse gelovigen ontdekt in het noorden van Europa: zij houden de geboden en de sabbat, en zij geloven ook dat Jezus hun Messias is (Messiasbelijdende Joden). Het woord ‘u’ verwijst ook naar de profeten die in Mattheüs 23:34. Deze profeten en wijzen zullen worden vervolgd, zij zullen zelfs worden gedood (zie Jak. 5:6). Zowel Marcus als Lucas beschrijven dit veel gedetailleerder. Deze Joden zullen worden overgeleverd aan synagogen en gerechtshoven of raadsvergaderingen, maar de Heilige Geest zal hen leiden zodat zij weten wat zij zeggen moeten; de Geest zal door hen heen spreken. Marcus 13, Lucas 21, en Mattheüs 24 spreken allen over Joodse gelovigen die gelijk lijken te zijn aan de discipelen die naar ‘het huis Israëls’ werden gezonden in Mattheüs 10:6. Maar Lucas 22:35-38 verwijst naar het zenden van de discipelen naar de heidenen - want de bedeling der genade was toen al begonnen - en daarom hadden degenen die uitgingen nu een beurs en een reiszak nodig voor onderweg. Er is dus een gelijkenis tussen de profetie die op de Olijfberg werd uitgesproken (Matt. 24) en de woorden van Jezus in Mattheüs 10:5-6). Laten wij ook de volgende teksten eens vergelijken: (1) Mattheüs 23:34 met Mattheüs 10:17-18; (2) Lucas 21:14-15 met Mattheüs 10:19-20; (3) Mattheüs 24:9-10 en Lucas 21:16-17 met Mattheüs 10:21-22; (4) Mattheüs 24:13 met Mattheüs 10:22. Bovenstaande teksten gaan allemaal over de Joden. De woorden ‘synagogen’ en ‘raadsvergaderingen’ hebben ook een Joodse klank. Omdat ‘alle volken’ de heidenen zijn moet ‘u’ naar de Joden verwijzen. Volgens Jesaja 49:9-10 zullen de Joden in de toekomst zeer ijverig het evangelie prediken. Wanneer in Openbaring het vijfde zegel geopend wordt waar de zielen van hen die geslacht waren roepen om wraak, dan worden zij getroost door de Here Die tegen hen zegt dat zij nog een korte tijd moesten rusten totdat het getal vol zou zijn van hun mededienstknechten en hun broeders, die gedood zouden worden evenals zij. Deze broeders in Openbaring 6:11 die geslacht zullen worden zijn de Joodse gelovigen uit Mattheüs 24:9.

 

    v:10 ‘Ten val komen’ - ‘overleveren’ - ‘haten:’ Dit zijn woorden die de onvermijdelijke gevolgen van vervolging beschrijven (zie ook Joh. 16:1-2, Matt. 10:36, Marc. 13:12-13, en Luc. 21:16).

 

    v.11 ‘Valse profeten’ - Er zijn valse profeten onder de Joden (Hos. 9:7-17) en onder de christenen (I Tim. 4:1, II Tim. 3:13, II Petr. 2:1, 12). Het doel van deze valse profeten is mensen misleiden.

 

    v.12 De gevolgen van hun werken zijn: (a) de wetteloosheid en wetsverachting zal toenemen, en (b) de liefde zal verkillen. Zulke omstandigheden creëren de sfeer waardoor de anti-Christ komen kan (zie Dan. 8:11-12, 23, 11:30-31; Jes. 65:11-15, 66:3-4; II Thess. 2:11-12).

 

    v.13 ‘Volhard tot het einde’ - onophoudelijk wachten, onophoudelijk uitzien naar de komst van de Here. Het woord ‘behouden’ betekent hier iets anders dan het gered worden en eeuwig leven krijgen.

 

    v.14 ‘Dit evangelie van het Koninkrijk’ is een zin die drie keer wordt gebruikt in Mattheüs: 4:23, 9:35, en hier in 24:14. Paulus zegt in de brief aan de Galaten dat er slechts één evangelie is (Gal. 1:6-7). Wat voor beschrijving er ook aan het woord ‘evangelie’ wordt toegevoegd, het evangelie is en blijft één evangelie. Velen denken dat ‘het evangelie der genade Gods’ in Handelingen 20:24 verschilt van het evangelie van het Koninkrijk. Maar dat is niet zo. Het evangelie blijft hetzelfde, hoewel het bekeken wordt vanuit verschillende perspectieven; en daarom wordt het soms anders genoemd. Het evangelie van het Koninkrijk is het evangelie dat de Here zelf verkondigde toen Hij op aarde was. Wanneer het Koninkrijk komt dan zal de Here heersen. De verkondiging van het evangelie van het Koninkrijk gaat gepaard met het genezen van zieken en het uitdrijven van boze geesten als bewijs. Het evangelie der genade legt de nadruk op de zonde en Gods weg tot behoud, terwijl het evangelie van het Koninkrijk de nadruk legt op de soevereiniteit van de Here. Dit evangelie zal de gehele wereld doorgaan voordat het einde komt. Degenen die dit evangelie gaan prediken zullen Joden zijn, niet de Gemeente. Want als het de Gemeente is die zo zal prediken dan zouden er daarna de volgende woorden hebben moeten staan: ‘tot een getuigenis voor alle zondaren,’ maar dat staat er niet, er staat: ‘tot een getuigenis voor alle volkeren;’ de Joodse natie staat immers als volk alleen in deze wereld tegenover alle andere volkeren, en de Gemeente heeft niet met volkeren maar met individuele zondaren te maken.

    De Schriftuurlijke bewijzen voor het feit dat de Joden degenen zullen zijn die zulk een getuigenis zullen geven ten overstaan van de volkeren zijn de volgende:

    (a) Jesaja 40:5-9 De term ‘alle vlees.’ Onder deze term vallen ook de heidenen.

    (b) Jesaja 42:10 ‘Gij die de zee bevaart en haar volheid, gij kustlanden en haar bewoners’ - Dit zijn de volkeren. Degene die dit zegt is Jakob (zie 41:8 en 42:1), die ook Israël is.

    (c) Jesaja 44:8 Jakob zal inderdaad getuigen; maar wat zal hij getuigen? Zie naar de Psalmen: 145:10-13; 96:3-4, 10; 68:9, 11.

    Het doel van het prediken van het evangelie van het Koninkrijk is het getuigen tegen de volkeren - want de heidenen zullen zich niet noodzakelijkerwijs allemaal bekeren en gered worden. Volgens Openbaring 3:10 zal de Grote Verdrukking over de gehele aarde komen. Daaruit volgt dat aan de bewoners der aarde een mogelijkheid tot ontkoming geboden wordt. ‘Dan zal het einde gekomen zijn’ - Vers 15-31 spreken over de dingen van het einde. Vandaag de dag bevinden wij ons nog in de situatie die beschreven wordt in vers 7 en 8. Voordat wij het einde daadwerkelijk zien, horen en zien wij het naderen. Hoe lang de periode vóór de omstandigheden die in vers 15 en verder worden beschreven duurt weet niemand, maar we weten dit wel: dat de tijd tussen vers 13 en 31 3½ jaar zal zijn.

 

    v.15 ‘De heilige plaats’ kan het land Juda zijn, Jeruzalem, de tempel, of het heilige der heiligen. ‘De gruwel der verwoesting’ verwijst naar een afgod. Als in de toekomst de anti-Christ zal komen dan zal hij zijn beeld in de tempel plaatsen. Dit tekent het begin van de Grote Verdrukking (let op de woorden ‘dan’ en ‘die dagen’ in de verzen 15, 19, en 22). Voor het einde van de Grote Verdrukking zie vers 29 en 30. Na de Grote Verdrukking zal de Here komen. De Grote Verdrukking begint dus als de afgod in de tempel wordt geplaatst en hij eindigt als de Here verschijnt op aarde. Hoe lang duurt de Grote Verdrukking? Tweeënveertig maanden (Openb. 11:2), of 1260 dagen (Openb. 11:3, 12:6), of een tijd, tijden, en een halve tijd, hetgeen 3½ jaar is (Openb. 12:14). Wat Mattheüs zegt over de verwoesting van de heilige tempel is hetzelfde als waar Openbaring 11:2 naar verwijst als zijnde het vertreden van de heilige stad. Door Lucas 21:20, 23 samen met Mattheüs 24:15-21 te lezen weten wij dat de heilige stad en de heilige tempel gelijktijdig zullen worden verwoest. Dus duurt het einde - de Grote Verdrukking - 42 maanden vanaf het plaatsen van het afgodsbeeld in de tempel tot aan het verschijnen van de Here.

 

 

 

Profetieën aangaande ‘het einde’ in het Oude Testament

 

     Wat gij ook tegen de Here bedenkt, vernietiging brengt Hij teweeg; geen tweemaal verheft zich de benauwdheid’ (Nah. 1:9).

    Ons einde is genaderd, onze dagen zijn vervuld, ja, ons einde is gekomen’ (Klaagl. 4:18b, SV). Het einde is gekomen; vlucht daarom.

    Het einde is er, het einde is gekomen over de vier hoeken des lands. Nu is het einde over u ...’ (Ez. 7:2b-3, SV).

    ... het gezicht doelt op de tijd van het einde ...; want het doelt op het tijdstip van het einde’ (Dan. 8:17, 19).

    ... want nog toeft het einde tot de vastgestelde tijd ... want deze toeft nog tot de vastgestelde tijd ... maar in de eindtijd’ (Dan. 11:27, 35, 40).

    ... verzegel het boek tot de eindtijd ... want deze dingen blijven verborgen en verzegeld tot de eindtijd ... hoe lang toeft het einde dezer wonderbare dingen? ... een tijd, tijden, en een halve tijd; en wanneer er een einde komt aan het verbrijzelen van de macht van het heilige volk, dan zullen al deze dingen voleindigd zijn’ (Dan. 12:4, 9, 6, 7).

 

    Gruwel’ is een Joodse benaming voor een afgod (zie Deut. 29:17; I Kon. 11:5-7; II Kon. 23:13; Jer. 4:1, 13:27).

    Der verwoesting’ heeft een dubbele betekenis: (1) Als er een afgod is dan zal God zeker voor de verwoesting ervan zorgen. Een afgod veroorzaakt verwoesting, daarom wordt het een gruwel van verwoesting genoemd. (2) De anti-Christ wordt ook genoemd: ‘iemand die verwoest of woest maakt’ (Dan. 9:27). Hij is dus de gruwel die verwoesting werkt. ‘Apollyon’ (Openb. 9:11), hetgeen in het Grieks ‘verwoester’ betekent of ‘verderver,’ is de anti-Christ, die ook de verwoester is. Hoe de anti-Christ zal verwoesten maakt het boek Daniël ons duidelijk. Zie Daniël 11:30-31 waar ‘het heilig verbond’ niets anders is dan de Tien Geboden die God aan Israël gegeven had, en waar de term ‘zij die het heilig verbond verzaken’ naar de rebellerende Joden verwijst. ‘En op een vleugel van gruwelen zal een verwoester komen’ (Dan. 9:27); dit zijn woorden die betekenen dat degene die verwoest snel zal komen. ‘En van de tijd af dat het dagelijks offer wordt gestaakt en een gruwel wordt opgericht, die verwoesting brengt, zijn het duizend tweehonderd en negentig dagen’ (Dan. 12:11); dit is een maand langer dan de 1260 dagen in Openbaring 11:3. Deze extra maand zal misschien gebruikt worden voor het oordeel over de schapen en de bokken na de Grote Verdrukking.

    In het Nieuwe Testament beschrijft II Thessalonicenzen 2:3-4 de openbaring van de anti-Christ, en vers 9 spreekt van de leugenachtige wonderen die hij zal werken. Openbaring 13:1-6 en 11-15 beschrijft twee beesten, de anti-Christ en de valse profeet. De ‘zee’ (in Openb. 13:1) symboliseert de volkeren (volkerenzee), terwijl ‘aarde’ of ‘land’ (in Openb. 13:11) de Joden symboliseert. Nadat de anti-Christ van zijn dodelijke wond hersteld is zal de valse profeet een beeld voor hem maken en ervoor zorgen dat de mensen op aarde het zullen aanbidden. Dit is het beeld dat in de heilige tempel wordt gezet. ‘Wie het leest, geve er acht op’ of ‘wie het leest, overwege met inzicht en begrijpe het’ (Matt. 24:15b): de Heilige Geest voegt dit woord hier in omdat de zaak van de anti-Christ die ‘de gruwel van verwoesting ... (heeft staan) op de heilige plaats’ gemakkelijk verkeerd begrepen wordt, en dat daarom de studie van Mattheüs 24 samen met het boek Daniël en de boeken van de andere profeten moet worden verricht. Velen zijn de mening toegedaan dat Mattheüs 24:15 naar de toestand van de Gemeente verwijst, maar dat is onmogelijk, want de Here noemt hier Daniël, en niet één van de Oud-Testamentische profeten heeft ooit over de Gemeente geprofeteerd. Sommigen suggereren dat de Here hier verwijst naar de verwoesting van Jeruzalem in 70 A .D. Maar dat is te onnauwkeurig, omdat Daniëls profetieën over de opstanding der doden, de reiniging van de heilige tempel, de wijzen die het zullen verstaan, enz., niet werden vervuld in die tijd.

    Mattheüs 24:15-31 is nog niet vervuld. Hoewel Lucas 21:20-28 veel lijkt op wat in Mattheüs 24 wordt beschreven is dat al vervuld in de oorlog van Titus. Want merk op dat Lucas de nadruk legt op de verwoesting van Jeruzalem terwijl Mattheüs de nadruk legt op de verwoesting van de tempel. Ook Daniël benadrukt de verwoesting van de tempel en dus ontleent Mattheüs zijn teksten aan Daniël. Lucas benadrukt niet zozeer de dingen van het einde; hij waarschuwt er slechts voor dat deze dingen gaan komen; en daarom is het meeste van wat hij zegt al vervuld in Titus, hoewel sommige dingen nog in de toekomst gaan gebeuren. De profetieën in de Bijbel kennen vaak dit principe: eerst is er een gedeeltelijke vervulling, gevolgd door de volledige vervulling. Ten tijde van Titus vluchtten de gelovigen alleen maar van Jeruzalem tot aan Pella.

    En zij zullen vallen door het scherp van het zwaard’ en ‘als gevangenen worden weggevoerd onder alle volken’ (Luc. 21:24a); dit zijn dingen die al vervuld zijn. ‘En Jeruzalem zal door de volken worden vertrapt, totdat de tijden van de volken zijn vervuld’ (v.24b): tot op de huidige dag is het land Judea en de stad Jeruzalem in handen van de heidenen (bedenk dat deze studie stamt uit de dertiger jaren). Sommigen suggereren dat de tijden van de heiden zijn vervuld toen na de zesdaagse oorlog Jeruzalem in 1967 weer in Joodse handen kwam. Ongetwijfeld verwijst Lucas 21:25 naar toekomstige gebeurtenissen. Wat betreft het einde zijn er twee verklaringen: (a) de Grote Verdrukking, en (b) de grote verzoeking. De eerste gaat de Joden aan (zie Dan. 12:1, Matt. 24:21 - Daniël spreekt duidelijk tot de Joden); laatstgenoemde betreft de heidenen (zie Openb. 3:10). Misschien kan het onderstaande diagram het verduidelijken:

 

 

 

 

   Wat de Grote Verdukking betreft is Jeruzalem het centrum en Judea ligt in de invloedssfeer daarvan. Wat  de grote verzoeking betreft is Rome het centrum en de invloedssfeer daarvan is de wereld. De troon van het Beest is Rome en de invloedssfeer is de wereld. De troon van het Beest en zijn koninkrijk die in Openbaring 16:10 worden genoemd verwijzen naar het herstelde Romeinse Rijk. Gedurende de tijd van het einde vinden de Grote Verdrukking en de grote verzoeking tegelijkertijd plaats. De centra ervan zijn Jeruzalem en het herstelde Romeinse Rijk en hun respectievelijke invloedssferen Judea en de hele wereld. Als wij Mattheüs 24 bestuderen moeten wij speciaal aandacht schenken aan Mattheüs 23:38: ‘Zie, uw huis wordt aan u woest overgelaten’ (Telos): hier zegt de Here openlijk dat Hij de Joden verwerpt als natie (individueel kunnen zij uiteraard nog aanvaardt worden). Mattheüs 24 gaat dus over dingen die de Joden aangaan en die hen zullen overkomen, maar Hij spreekt niet meer direct tot de Joden. Wanneer de Here deze profetieën aan Zijn discipelen meedeelt vertegenwoordigen zij niet de Joodse natie maar: (1) het Joodse overblijfsel dat trouw blijft aan de Messias en dat gelooft dat Jezus de Messias is; en (2) de Gemeente, want de discipelen zijn de pilaren van de Gemeente. Vers 31 is echter de scheidslijn omdat wat volgt na dit vers gerelateerd is aan de Gemeente.

    Overdenk nog eens de vragen die de discipelen stelden: (1) Wanneer zal dat geschieden? (2) Wat zal het teken zijn van Jezus’ komst? en (3) Wat zal het teken zijn van de voleinding der wereld? Wat zijn eigenlijk de ‘komst’ en ‘het einde’ waarnaar de discipelen vragen? Zij stellen zich deze dingen heel anders voor dan wij. Zij hadden geen enkel begrip van de Gemeente. Zelfs bij de hemelvaart van de Here Jezus stelden zij nog de vraag: ‘Here, herstelt Gij in deze tijd het koningschap voor Israël?’  (Hand. 1:6). Ook waren de discipelen na de uitstorting van de Heilige Geest niet echt bereid om Jeruzalem te verlaten. Petrus was eerst niet bereid om naar het huis van Cornelius te gaan, maar zelfs toen hij ging maakten zijn broeders ruzie met hem. Dus in hun denken gingen zij wat hun ideeën omtrent ‘het einde’ steeds terug naar het Oud-Testamentische concept: na het einde zal de Messias heersen.

    Dus is voor hen het einde de periode vlak voor het Koninkrijk. Hoewel de discipelen onwetend waren en hun vraag dus eigenlijk niet goed stelden gaf de Here hen niet een verkeerd antwoord. Onwetendheid kan en zal de Here er niet van weerhouden het goede antwoord te geven. De profetie op de Olijfberg in Mattheüs 24 heeft daarom veel te maken met de Gemeente.

 

    Laten we nu teruggaan naar vers 15 van Mattheüs 24. Wij zagen al eerder dat de periode van het plaatsten van het beeld in de tempel tot aan de verschijning van Christus 3½ jaar zal zijn. Snel nadat het beeld in de tempel is gezet zal de tempel worden verwoest. De Verwoester zal eerst de tempel verontreinigen alvorens hij hem verwoest (zie Ps. 74:3-8, Jes. 64:10-11, Klaagl. 4:1, Dan. 8:11). Waarom zal God toestaan dat de tempel verontreinigd en verwoest wordt? Omdat de Joden hem zelf al verontreinigd hebben (zie Jer. 32:34, Ez. 8:5-15).

 

    v.16 ‘Vluchten’ - Dit lijkt op het vluchten van de vrouw naar de woestijn in Openbaring 12:6. De draak probeert de vrouw te verslinden, ofwel, Satan zal de Joden vervolgen. Het gevolg daarvan is dat de vrouw moet vluchten. ‘Water als een stroom’ (Openb. 12:15) kan betekenen: ‘vele legers,’ maar de aarde zal haar mond openen en de legers verzwelgen. Als de Joden luisteren naar het bevel om te vluchten, dan zullen zij 1260 dagen worden onderhouden door de Here. Vluchten is in hun voordeel.

 

    v.17 ‘Op het dak’ - Een Joods huis heeft een plat dak met trappen in en buiten het huis waarlangs men op het dak kan komen. ‘Niet naar beneden gaan om zijn huisraad mee te nemen’ - hetgeen betekent dat men niet via de trap aan de binnenkant naar beneden moet gaan om dingen te verzamelen, maar moet vluchten via de trap aan de buitenkant.

 

    v.18 ‘In het veld’ - Wie in het veld werkt moet snel vluchten. Hij moet niet naar huis gaan om zijn kleed mee te nemen: hij moet geen hoge waarde toekennen aan materiële dingen want de verdrukking zal snel komen: als hij treuzelt zal hij schade lijden.

 

    v.19 ‘De zwangeren en de zogenden’ - Wee hen, want vluchten is niet makkelijk voor hen, zij kunnen niet snel vluchten.

 

    v.20 ‘Winter’ - In de winter kunnen mensen niet snel vluchten of de nacht buiten doorbrengen. De temperatuur in de bergen is erg laag. En er is geen voedsel of water.

    ‘Sabbat’ - Dit woord bewijst dat vers 4-31 gerelateerd is aan de Joden. Op de sabbat is het de Joden niet toegestaan om meer dan 1 kilometer te lopen (zie Hand. 1:12, een sabbatsreis is 2000 Joodse ellen, ongeveer 1 kilometer ).

 

    v.21 ‘Grote Verdrukking’ - Zulk een Grote Verdrukking komt zeker, maar door de genade en door het gebed is deze vertraagd (zie Ex. 32:30-34,; zie ook Jes. 6:7, Deut. 4:30-31, Jer. 30:6-7, Dan. 12:1; en ook Openb. 12 waar wordt gezegd dat Michaël de draak verdrijft). De zweep van Gods tucht kan vertraagd worden, maar onthoud dat Hij hem tenslotte toch gaat gebruiken. De zweep kan plotseling toeslaan, op elk moment. Het geval van Nebukadnezar kan als een goed voorbeeld dienen.

 

    v.22 Andere passages  die het over de Grote Verdrukking hebben zijn Jesaja 13:9-11 en 26:14, 21. Hoe verschrikkelijk moeten deze dagen zijn! Daarom kort de Here deze dagen in tot 3½ jaar, want anders zou niemand het overleven.

 

    v.23-24 Het doel van deze verzen is het laten zien dat de parousia van de Here voor de Joden niet in het geheim plaatsvindt, het is veeleer open. Hij zal zich niet openbaren nadat Hij een tijdje op aarde is. Nee, Hij zal met de wolken uit de hemel komen en op aarde verschijnen. Dit stukje is een waarschuwing voor de Joden opdat zij niet door de anti-Christ misleidt zullen worden. De komst van de Here is niet ‘hier’ of ‘daar’ - Hij zal duidelijk uit de hemel komen. Christenen hebben dit probleem niet, maar de Joden wel.           Omdat zij Jezus hebben verworpen verwachten zij nog steeds een Messias die in hun midden zal verkeren. Hier of daar betekent waar dan ook, of overal. Maar Christus zal komen gelijk de bliksem aan de hemel verschijnt (v.27). Daarom zijn allen die claimen dat zij Christus openbaren op aarde valse Christussen. Valse Christussen en valse profeten worden in het meervoud genoemd. Er zullen er dus meerdere zijn. Grote tekenen en wonderen zullen worden verricht gedurende die 3½ jaar. En waarom? Omdat de draak zijn kracht aan het eerste en tweede beest geeft. Zowel II Thessalonicenzen en Openbaring 13 schrijven over de wonderen die deze grote drie zullen werken. Zulke wonderen zijn geen goedkope trucjes of iets dergelijks; nochtans zal de bedoeling achter deze wonderen zijn de mensen te doen geloven in leugens. Zij zijn het tegengestelde van de wonderen van de Here, die er toe moeten leiden dat mensen in de waarheid gaan geloven. Hoe meer wij de wonderen van boze geesten zien, zelfs in onze dagen, des te meer raken wij ervan overtuigd dat de leugenachtige wonderen van Satan zeer echt zijn. Christenen die in de eindtijd leven moeten erg voorzichtig zijn. Wij geloven in de waarheid niet omdat wij wonderen zien, maar omdat wij op het Woord van God vertrouwen.

     Merk op dat in de laatste dagen de wonderen zeer zullen toenemen. ‘Zodat zij, ware het mogelijk, ook de uitverkorenen zouden verleiden’ - De uitverkorenen zijn de Joden (Jes. 45:4, 65:9; Deut. 7:6), hoewel wat toepasbaarheid van de leerstelling in dit vers betreft wij christenen niet helemaal uitgesloten zijn; want ook wij zijn vatbaar voor misleiding. Wie meent te staan, zie toe dat hij niet valle.

 

    v.25  ‘Zie, Ik heb het u voorzegd’ - Hoe kostbaar zijn deze woorden, omdat de Here ons de dingen voorzegd die aan het einde gaan gebeuren. Is het niet geweldig om te weten wat er in de toekomst gaat gebeuren? Wij kunnen zo ontkomen aan onverwachte gebeurtenissen. Helaas zien gelovigen niet de waarde van deze woorden in. Wanneer de Bijbel het woord ‘Zie’ gebruikt dan wil dat zeggen dat er iets belangrijks volgt. Daarom weten wij ook dat deze profetie op de Olijfberg belangrijk is. Het woord der profetie is als een lamp die schijnt in een duistere plaats (II Petr. 1:19). Als wij het veronachtzamen dan komen wij gemakkelijk in duisternis terecht. Velen kijken vandaag de dag vol hoop naar de maatschappij, hun volk, hun land, en de wereld. Hoe misplaatst is deze hoop! En zij hebben die hoop omdat zij geen schijnende lamp hebben. De Here heeft het ons van te voren gezegd. Als wij lijden aan het einde dan zullen wijzelf daar verantwoordelijk voor worden gehouden.

 

    v.26 Valse Christussen (en valse profeten) zijn al verschillende malen genoemd (v.5, 11, 23, 24). Hier worden zij opnieuw genoemd om te laten zien hoe serieus de toestand is. ‘De woestijn’ spreekt van iedere plaats die afgescheiden is van de plaatsen waar men gewoon contact heeft met het dagelijkse leven in de dorpen en steden. Toen Johannes de Doper in de woestijn leefde vroeg men Hem of hij de Christus was. ‘De binnenkamer’ duidt op een geheime plaats die niet open staat voor publiek. De psyche van de mens wordt sterk aangetrokken door dat wat geheim en verborgen is. Maar als iets geopenbaard wordt verliest het zijn kracht. De Korinthiërs bijvoorbeeld verachtten Paulus, zeggende: ‘Zijn persoonlijke verschijning is zwak en zijn spreken betekent niets’ (II Kor. 10:10).

 

    v.27 ‘Bliksem’ flitst door de lucht, iedereen ziet het, terwijl ‘de woestijn’ verborgen is voor de ogen van veel mensen. De verschijning van de Here is absoluut openbaar. Hij zal komen met de wolken. Als iemand zegt dat de Here stilletjes naar de aarde komt geloof hem dan niet. Desalnietemin zal de eerste opname wel in het geheim plaatsvinden (Hij komt als een dief om de overwinnaars mee te nemen), en de komst van de Here van de troon naar de lucht vindt ook in het geheim plaats. Net zoals de bliksem eerst verborgen blijft in de wolken totdat hij door de lucht flitst, zo zal Christus zichzelf in de wolk verbergen tot de tijd voor Zijn openbare verschijning is aangebroken (Openb. 1:7, Hand. 1:11). Volgens het boek Handelingen werd de Here eerst zonder een wolk opgenomen, en toen werd Hij pas aan hun gezichtsveld onttrokken door de wolk waarin Hij ten hemel voer. En zo zal Hij ook terugkomen, maar nu uiteraard in omgekeerde volgorde: eerst zal Hij verborgen blijven in een wolk (waar de opname bij inbegrepen is), vanwaar Hij in het openbaar verschijnen zal met de gelovigen die bij de eerste opname naar de troon waren weggerukt en de gelovigen die werden opgenomen naar de lucht tijdens de parousia. Dus waar wij op wachten tijdens de parousia is niet het komen van de Here maar het gaan met Hem naar de aarde.

 

    v.28 ‘Aas’ en ‘gieren’ - Het woord ‘aas’ wordt in het algemeen uitgelegd als zijnde Christus en de ‘gieren’ zouden dan christenen zijn. Dit zou dan verwijzen naar het avondmaal, het breken van het brood; na de dood van Christus eten de Christenen Zijn vlees. Deze interpretatie is echter niet alleen onbetrouwbaar maar ook absurd; het grenst zelfs aan godslastering. Want de Bijbel spreekt zowel van het leven als van de dood van de Here Jezus. Degene in wie wij geloven is de Here Die stierf en weer uit de doden opstond: want ‘indien Christus niet is opgewekt’ zegt Paulus, ‘dan is immers onze prediking zonder inhoud, en zonder inhoud is ook uw geloof’ (I Kor. 15:14). Een lijk teert weg en stinkt (Joh. 11:39). Dit woord kan dus niet op Christus betrekking hebben. Hoe moeten wij dit dan uitleggen? Het aas vertegenwoordigt dat wat geen leven heeft, en dus staat het voor allen die in Adam zijn (I Kor. 15:22). Gelovigen zijn niet meer in Adam; zij hebben nieuw leven ontvangen en worden het Lichaam van Christus genoemd. Het Lichaam van Christus leeft, het heeft leven in zich, en dus zijn de gelovigen het aas niet. Als zij het brood breken verdelen zij niet het dode lichaam van de Here, want de Here zegt: ‘Dit is Mijn lichaam’ (en als er leven in dat lichaam zit is het geen aas). Een lijk stinkt naarmate het wegteert, daarom wordt een mens begraven na zijn dood. Het aas staat hier dus voor het wegteren van de doden in Adam

    Het woord ‘gieren’ (de Engelse Vertaling en de Staten Vertaling heeft ‘arenden’) heeft verschillende betekenissen in de Bijbel: (a) het volk van God (Jes. 40:31, Deut. 32:11). Deze twee gedeeltes leggen de nadruk op het vliegen van de arend; (b) In Leviticus worden de arend, de lammergier, en de zeearend een gruwel geacht (Lev. 11:13), want zij eten gestorven vlees (Openb. 19:17-18, 21b). Het eten van aas door gieren of arenden (‘alle vogels die in het midden des hemels vliegen’) wordt in Openbaring gezien als Gods oordeel; en zo is het ook hier in Mattheüs. Waar het verderf van de doden in Adam is daar is ook het oordeel van God. De woorden ‘gieren’ en ‘aas’ moet hier geestelijk worden geïnterpreteerd omdat ook het woord bliksem werd vergeleken met de komst van Christus en dus als vergelijkend materiaal werd gebruikt.

 

    v.29 De woorden ‘terstond na [de verdrukking dier dagen]’ zijn heel belangrijk om het tijdstip aan te kunnen duiden. De zon, de maan en de sterren moeten letterlijk genomen worden. Sommigen hebben getracht ze symbolisch te verklaren: koningen en oversten die geschud worden; maar zulk een interpretatie is onaanvaardbaar; want als dat het geval was dan zouden de zon, de maan en de sterren al voor de komst van de Here geschud moeten zijn. De verdrukking waarover gesproken wordt in dit vers is dezelfde verdrukking als die in Openbaring 6:12-13 - alleen het tijdstip waarop ze plaatsvinden verschilt.

    In Openbaring zien we dat alle zeven zegels (waarbij de tekenen aan de hemel het gevolg zijn van het zesde zegel) worden verbroken aan het begin van de Grote Verdrukking, wat gevolgd wordt door de bazuinen en schalen die voor grotere beproevingen en oordelen zorgen; maar deze zelfde tekenen aan de hemel (veranderingen aan de hemellichamen, het wankelen van de machten des hemels) vinden ook plaats de Grote Verdrukking: ‘Terstond na de verdrukking dier dagen;’ aan het begin van de Grote Verdrukking vinden er dus veranderingen plaats aan de hemellichamen, maar aan het einde van de Grote Verdrukking vindt er eveneens een catastrofe plaats in de hemelen (de sterrenhemel wel te verstaan). Wat wij lezen in Joël 2:31 is hetzelfde als de gebeurtenissen die beschreven worden in het zesde zegel in Openbaring 6, want Joël zegt duidelijk dat deze dingen zullen gebeuren ‘voordat de grote en geduchte dag des Heren komt’ (v.31b). Mattheüs zegt echter duidelijk dat deze verschijnselen zullen plaatsvinden ‘terstond na de verdrukking dier dagen’ (24:29). Deze veranderingen aan de hemellichamen moeten daarom tweemaal plaatsvinden.

 

    v.30 ‘En dan’ is de tijd nadat de dingen in vers 29 zijn geschiedt. We weten niet wat dit teken van de Zoon des mensen is. De algemene verklaringen zijn: (a) De Here zelf - maar dat is onaanvaardbaar omdat de Here duidelijk zegt ‘het teken van de Zoon des mensen’ en niet ‘de Zoon des mensen’ zelf; en (b) het kruis - dit is gebaseerd op het teken van Jona dat de Here aan de Farizeeën gaf in Mattheüs 12. Hoewel deze laatstgenoemde mogelijkheid aannemelijk is weten we toch niet zeker of dit het teken van de Zoon des mensen is. Daarom zullen wij hier geen eindoordeel geven over deze visie. Eén ding weten wij echter en dat is dat dit teken iets bovennatuurlijks en mysterieus moet zijn.

    ‘Aan de hemel’ - Omdat dit teken aan de hemel verschijnt zullen alle stammen der aarde het zien. ‘Alle stammen der aarde’ verwijst naar de twaalf stammen Israëls. Zij zullen rouwen en weeklagen (zie Zach. 12:10-14).

    ‘Met grote macht en heerlijkheid’ - Bij Zijn eerste komst toonde de Here Zijn gezag (Hij dreef boze geesten uit en genas zieken) en Zijn heerlijkheid. Bij Zijn tweede komst zal Hij Zijn grote macht en heerlijkheid tonen. Bij Zijn eerste komst stonden de mensen versteld over Zijn leer en gezag (Matt. 7:28). De Farizeeën vroegen Hem waar Hij Zijn gezag aan ontleende (Matt. 21:23). Een Romeins hoofdman geloofde in Zijn gezag (Matt. 8:8-9). Maar bij Zijn tweede komst zal Hij niet alleen Zijn gezag tonen maar ook Zijn macht. Hij zal niet op een ezelsveulen rijden (als Vredevorst) maar op een wit paard. Kracht/macht wordt gebruikt om Gods oordeel uit te kunnen voeren. In de toekomst zal Satan zijn wetteloze werken sterk vermeerderen; daarom zal de Here hem met kracht vernietigen. Het verschil tussen kracht en gezag kan als volgt worden uitgebeeld: een auto die naar een kruising rijdt (kracht), tegenover de verkeersagent die de bestuurder naar een bepaalde richting dirigeert (gezag). Bij Zijn eerste komst genas de Here zieken, dreef Hij boze geesten uit, en stilde Hij de storm - dit zijn allemaal manifestaties van gezag. Zelfs toen Hij de tafels ondersteboven keerde en de schapen en ossen uit de tempel dreef gebruikte Hij de zweep niet tegen de mensen. Alleen bij Zijn tweede komst zal Hij zulk een kracht aanwenden.

 

    v.31 Dit is de vervulling van Mattheüs 23:39: ‘Gij zult Mij van nu aan niet meer zien, totdat gij zegt: Gezegend Hij, die komt in de naam des Heren’ - Na de Grote Verdrukking zal de Here ‘Zijn uitverkorenen verzamelen:’ de ‘uitverkorenen’ zijn de Joden die verstrooid zijn onder de volkeren. ‘Uit de vier windstreken, van het ene uiterste der hemelen tot het andere’ - Dit is niet de Opname, want hier is het meer het idee van erchomai (komen), niet parousia (aanwezigheid). Hier is het een verzamelen (zie Deut. 30:3-5). Na de verwoesting van Jeruzalem werden de Joden òf gedood òf gevangen genomen. Zij werden verstrooid onder de volkeren. Nu begint de Here hen terug te roepen (zie Jes. 43:5-7).

    Zij zullen komen uit het oosten, het westen, het noorden, en het zuiden. Sommigen zullen zelfs uit Sinim komen (Jes. 49;9-13). Sinim betekent China, en in de provincie Hunan zijn veel Joden die de familienaam Tsan aannemen. Zie ook Jesaja 49:22-26, 51:11, 56:8, 60:4, 62:10-12, 27:13; Ezechiël 34:13, 37:21, 28:25. ‘Uit de vier windstreken’ - De wind is steeds in beweging: de Joden hebben geen vaste woonplaats, zij zwerven rond over de gehele aarde. De verzameling waarover hier gesproken wordt is niet de Opname van de Gemeente, omdat: (1) de parousia al plaatsgevonden heeft, en de Opname vindt plaats binnen het kader van de parousia; (2) dit is het verzamelen van uitverkorenen door engelen. De Gemeente gaat zelf de Here tegemoet. Deze tekst heeft dus niets te maken met de parousia; (3) als het inderdaad de parousia is dan zou het helemaal niet passen bij het voorafgaande Schriftgedeelte, het past niet bij de betekenis van het voorgaande gedeelte; (4) het verwijst naar de Joden. Dat wordt duidelijk als het wordt vergeleken met Mattheüs 23:37; (5) bij het klinken van de bazuin Gods komt de Here vanuit de hemel naar de lucht vlak boven de aarde; (6) de context bewijst dat het hier over de Joden gaat.

 

                                               

                                                                                       

 

De Grote Eind-Tijd profetie van Jezus Deel II:

 

Aangaande de Gemeente, 24:32-25:30

 

 

A. Lessen van de vijgeboom en de dagen van Noach, 24:32-42

 

    v.32 ‘Leert nu van de vijgeboom deze les’ (Telos) - Het woord ‘nu’ markeert het begin van het tweede deel. Omdat de Here dit deel van Zijn profetie op de Olijfberg geeft - een plaats waar veel olijfbomen zijn - kon Hij gemakkelijk de vijgeboom als illustratie gebruiken. ‘Wanneer zijn tak al zacht wordt’ (Telos) - Dit spreekt van de terugkeer van leven. ‘En de bladeren doet uitspruiten’ (NBG-1951) - dit is een zichtbare manifestatie van het inwendige leven. De vijgeboom symboliseert de Joden (Jer. 24:2, 5, 8). De Here had eertijds een vijgeboom vervloekt omdat deze alleen bladeren droeg maar geen vruchten. In werkelijkheid rustte de vloek op de Joden die wel de uiterlijke rituelen hadden maar geen innerlijke geestelijke realiteit. ‘De zomer’ is het seizoen van de groei, en de winter is het seizoen van de dood. In de zomer laat het leven zijn grootste kracht zien, de lucht is warm, en het daglicht is fel. Het is een gouden tijd, en daarom staat de zomer voor de bedeling van het Duizendjarig Rijk. Vandaag de dag leven de Joden in de wintertijd. De winter spreekt van verdrukking, met name van de Grote Verdrukking. De lente spreekt van de Opname (zie Hooglied 2:10-14); de zomer spreekt van het Duizendjarig Rijk (zie Luc. 21:30-31). ‘Alle bomen’ in Lucas 21:29-30 verwijst naar alle natiën (zie Dan. 4:10-17 en Richt. 9:8-15).

    ‘Alle bomen ... zodra zij uitlopen’ (Luc. 21:29-30), dit laat zien dat nationalisme sterk zal toenemen onder vele volkeren en naties.

 

    v.33 Wij moeten beseffen dat de verzen 4-31 een geheel vormen maar niet los staan van de verzen die er na komen; de gedachten in het eerste deel gaan door in het tweede deel, met dit verschil dat het ene deel over de Joden gaat terwijl het andere deel over de Gemeente gaat en dus tot de Gemeente gesproken wordt.

    ‘Al deze dingen’ (Telos) - deze woorden kunnen worden verbonden met Mattheüs 23:36 (‘al deze dingen zullen komen over dit geslacht’), en met Mattheüs 24:8 (‘dit alles’ - Telos). ‘Al deze dingen’ hebben betrekking op het begin van de Grote Verdrukking, dingen als valse Christussen, oorlogen, hongersnoden, pestilentieën, aardbevingen, enz. ‘Het is nabij’ - Dit verwijst naar het Koninkrijk. Het Koninkrijk is nabij, het staat voor de deur. Ook Lucas zegt het zo; ‘Zo moet ook gij, wanneer gij [deze dingen, Telos] ziet geschieden, weten, dat het Koninkrijk Gods nabij is’ (21:31).

 

    v.34 ‘Dit geslacht’ (De Engelse vertaling heeft ‘generatie’) - De Griekse tekst heeft genea, niet aion. De Chinezen zien 30 jaar als een generatie, de westerlingen 40 jaar. Beiden zijn hier niet toepasbaar. Zou dat wel het geval zijn geweest dan zouden al deze dingen zijn vervuld tijdens het leven van degenen die in de dagen van Mattheüs leefden, en dan zouden ‘al deze dingen’ geschiedenis zijn. Op basis van deze interpretatie (een generatie als zijnde een periode van een aantal jaren) verkondigen historici dat de gebeurtenissen in Mattheüs 24 verleden tijd zijn: zij zeggen dat Titus precies 40 jaar nadat de Here deze woorden in vers 34 sprak Jeruzalem vernietigde, en dat daarom het woord ‘generatie’ in zijn algemene betekenis wordt gebruikt. Sommigen proberen het probleem uit de weg te gaan door het te vertalen met ‘geslacht’ (zo staat het hier in de NBG-vertaling en ook in de Telos-vertaling) - het Joodse volk, of het Joodse ras.

    Maar dat is onwaarschijnlijk omdat: (1) Mattheüs 1:17 zegt: ‘al de geslachten dan van Abraham tot David zijn veertien geslachten;’ en (2) wij moeten niet simpelweg een woord gaan veranderen omdat het problemen oplevert; en (3) als met ‘geslacht’ het Joodse volk bedoeld wordt dan zou dat betekenen dat het Joodse volk vernietigd kan worden, want de Here zegt immers: ‘dit geslacht zal geenszins voorbijgaan, voordat dit alles geschiedt’ (v.34).

 

    Hoe moet het woord genea dan worden vertaald? Wij moeten maar eens proberen de oplossing in het Oude Testament te zoeken:

    ‘Gij, Here, zult hen bewaren; Gij zult hen behoeden voor dit geslacht, tot in eeuwigheid’ (Ps. 12:8, SV). Dit is niet een letterlijke lichamelijke generatie, maar een morele relatie (dit geslacht is dan: dat soort mensen, slechte mensen).

    ‘Een verkeerd en vals geslacht’ (Deut. 32:5b). In deze tekst is genea (Hebreeuws, dor) geen dertig of veertig jaar, en zelfs geen leven lang. Zo lang als verkeerdheid en valsheid voortduren zo lang zal ook dat ‘geslacht’ blijven bestaan.

    ‘Want zij zijn een verkeerd geslacht, kinderen, die geen trouw kennen’ (Deut. 32:20). Het ‘geslacht’ blijft voortbestaan zo lang de trouweloosheid aanhoudt.

    ‘Er is een geslacht dat zijn vader vervloekt en zijn moeder niet zegent, een geslacht dat rein is in eigen ogen, maar niet van zijn vuil is gewassen; een geslacht met trotse ogen en opgetrokken wimpers; een geslacht, welks tanden zwaarden, welks gebit messen zijn, om de ellendigen te verteren, zodat er geen meer zijn in het land, en geen nooddruftigen onder de mensen’ (Spr. 30:11-14). Het moge duidelijk zijn dat het ‘geslacht’ in dit gedeelte niet slechts enkele tientallen jaren bestaat, of zelfs een leven lang; het verwijst naar een periode die gekenmerkt wordt door bepaalde immorele karaktereigenschappen. Deze periode kan ook wel 200 jaar zijn, om maar eens een voorbeeld te noemen. Wij kunnen ook nog licht verkrijgen uit het evangelie van Mattheüs zelf:

    ‘Doch waarmede zal Ik dit geslacht vergelijken ...?’ (11:16-19)

    ‘Een boos en overspelig geslacht verlangt een teken, maar het zal geen teken ontvangen dan het teken van Jona, de profeet ... De mannen van Nineve zullen in het oordeel opstaan met dit geslacht en het veroordelen; want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jona en zie, meer dan Jona is hier’ (12:39, 41).

    ‘De koningin van het Zuiden zal in het oordeel optreden met dit geslacht ... Alzo zal het ook gaan met dit boze geslacht’ (12:42, 45).

    ‘Al deze dingen zullen komen over dit geslacht’ (23:36).

 

    Dit boze geslacht zal blijven bestaan zolang boosheid en overspel voort blijven duren. De betekenis van genea in 24:34 is dus een tijd die gekenmerkt wordt door boosheid, overspel, verdorvenheid, en verkeerdheid. Die periode is nog niet voorbij, en zij zal alleen dan voorbijgaan als ‘al deze dingen’ zijn geschiedt.

    ‘Dit geslacht’ omvat drie groepen mensen: (1) de heidenen die afgoden aanbidden en God verwerpen; (2) de Joden die Christus verwerpen; en (3) de afvalligen - de zogenaamde modernisten. Voordat al dit soort mensen zullen verdwijnen zullen ‘al deze dingen’ zijn gebeurd. De Here zal komen en hen vernietigen. Voor de komst van het Koninkrijk zullen al deze dingen zijn vervuld. Wij moeten dus het verschil zien tussen deze drie Griekse woorden die in de Bijbel gebruikt worden: kosmos is de wereld, aion is eeuw, tijdsduur, tijden, en genea is geslacht.

    v.35 ‘De hemel en de aarde zullen voorbijgaan’ - Het woord van onze Here houdt langer stand dan de hemel en de aarde. Voordat de hemel en de aarde verdwijnen zullen al Zijn woorden zijn vervuld. Het woord ‘hemel’ wordt op twee manieren gebruikt in de Bijbel: als het in het enkelvoud (‘hemel’) wordt weergegeven dan betekent het de hemel in tegenstelling tot de aarde; als het meervoud wordt gebruikt (‘hemelen’) dan is de betekenis het Koninkrijk, het Koninkrijk waarover God regeert. Hier wordt het enkelvoud gebruikt.

 

   v.36 Vers 36-42 is een kleine sectie die niet moeilijk uit te leggen is. ‘Die dag en die ure’ - een dag is lang, een uur is kort. De Here schijnt alle toekomstige dingen onder te brengen in die dag en die ure. .De discipelen vragen naar het teken van de parousia en de voleinding der wereld. In Zijn antwoord gebruikt de Here de vijgeboom als een teken van het einde, en de opname als het teken van parousia. De Joodse vijgeboom wordt een teken voor ons, en onze parousia wordt het teken voor de Joden. Ondanks deze tekenen weet niemand de dag of het uur. De Here zegt duidelijk: ‘Doch van die dag en die ure weet niemand;’ maar helaas proberen sommige mensen nog steeds uit te rekenen op welk uur of welke dag de Here komt, en als ze niet het uur of de dag uit proberen te rekenen dan trachten ze in ieder geval het jaar en de maand uit te rekenen. Dit is niets anders dan goddeloos handelen. Mevr. White van de Zevende Dag Adventisten rekende uit dat 1844 het jaar van Zijn wederkomst was, en Russel van het Wachttorengenootschap dacht dat de Here zo rond het jaar 1900 terug zou komen. Beiden hadden het mis. Vele pogingen zijn gedaan om vast te stellen wanneer Hij komt maar alle pogingen zijn mislukt.

    ‘Ook de engelen der hemelen niet, ook de Zoon niet’ - Deze zin kan vreemd klinken als je hem naast deze tekst zet: ‘Aldus luidt het woord des Heren tot mijn Here: Zet U aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gelegd heb als een voetbank voor Uw voeten’ (Ps. 110:1). Hoewel de Vader, de Zoon, en de Heilige Geest één zijn, is de Zoon toch bereid te wachten en is Hij niet nieuwsgierig naar de dag of het uur. Het is niet zo dat Hij het niet kan weten. Daar komt nog bij dat het woord ‘weet’ in de zin ‘Doch van die dag en van die ure weet niemand’ in de tegenwoordige tijd staat, hetgeen betekent dat de Here het niet weet op het moment dat Hij deze woorden spreekt. Het kan niet betekenen dat Hij het nooit zal weten.

 

    v.37-42 Vier dingen worden genoemd: (a) De toestand van de mensheid aan het einde is bijna gelijk aan de toestand van de mensheid in de dagen van Noach. In die dagen wisten de mensen van de komende zondvloed door de prediking van Noach; toch maakten ze zich nergens druk om, want ze waren bezig met eten, drinken, trouwen, en ten huwelijk geven. (b) Net zoals God Noach en zijn gezin veilig door de zondvloed heen leidde, zo zal God ook een Joods overblijfsel door de Grote Verdrukking heen leiden (dit staat in Openbaring 12:16: ‘En de aarde kwam de vrouw te hulp en de aarde opende haar mond en verzwolg de stroom, die de draak uit zijn bek had geworpen’). (c) De zondvloed nam alle mensen in de wereld weg. (d) Toen Noach in de ark ging kwam de zondvloed; zo zal ook als de opname daar is, één worden aangenomen en één achtergelaten.

 

    v.37 Hoe zagen de dagen van Noach eruit? Zij werden gekenmerkt door zeven dingen: (1) Toen Enos geboren werd begon men de naam des Heren aan te roepen (Gen. 4:26). Dat betekent dat voor de tijd van Enos de mensen wel God (Elohim - als Schepper) aanbaden maar niet Jahweh.

    Hier zit verschil tussen. Het niet aanbidden van Jahweh betekent het niet aanbidden van de Verlosser. Vandaag de dag doen de mensen precies hetzelfde. Zij geloven in God als Schepper maar zij geloven niet in Christus als Verlosser.

    (2) De verzen 19 en 22 van Genesis 4 geven de namen van een aantal vrouwen, te weten: Ada (dit betekent genoegen), Silla (dit betekent bescherming, bedekking, maskeren (camouflage, denk aan cosmetica)), en Naäma (dit betekent liefelijk, aangenaam). Zij waren mooi, ijdel, en frivool (mondain, lichtzinnig, werelds). Kijk eens naar de vrouwen van vandaag. Zij geven enorme sommen geld uit aan cosmetica. Hoeveel vrouwen zijn er tegenwoordig niet ijdel; zij zijn te weinig ernstig, oneerbiedig, en zij zijn veel te vrijmoedig en onbeschroomd in hun gedrag. Dat is een teken voor gelovigen dat de dagen van Noach zijn aangebroken.

    (3) Genesis 4:17 spreekt van het bouwen van een stad, terwijl vers 20-22 spreekt van muziek, veeteelt, en het bewerken van koper en ijzer. Vandaag de dag gaan de ontwikkelingen op deze gebieden zeer snel. Overal worden zeer grote steden gebouwd, waarvan ons eigen grote Shanghai een voorbeeld is. De veeteeltindustrie groeit snel (intensieve veehouderij), en muziek wordt populair gemaakt door middel van langspeelplaten (de compact-disc tegenwoordig) en de radio. In de dagen van Noach maakte men van ijzer speren en zwaarden, terwijl men er vandaag geweren en kanonnen van maakt.

    (4) Het verval van de Gemeente - Voor de zondvloed waren er twee geslachtslijnen: (a) Kaïn (vertegenwoordiger van de wereldse mensen) en Set (vertegenwoordiger van de Gemeente). Van het zaad van Set werd er echter maar één man, Henoch, opgenomen, terwijl de overigen niet met God wandelden maar zich vermengden met de wereld waardoor zij verslagen werden. Vandaag vermengt de Gemeente zich ook met de wereld; zij is gevallen. Wie vandaag de vervallen toestand van de Gemeente niet ziet is zelf gevallen.

    (5) Genesis 6:1 zegt: ‘Toen de mensen zich op de aarde begonnen te vermenigvuldigen’ - Er is een explosieve bevolkingsgroei vandaag de dag. De procentuele toename van de wereldbevolking is vandaag al vele malen groter dan drie jaar geleden (1930). In dat jaar leefden er 1,7 miljard mensen op aarde. Nu (1933) zijn er al 2 miljard. China heeft alleen al 500 miljoen inwoners (in 1993 al meer dan 1 miljard).

    (6) Judas 14 en 15 vertelt ons hoe Henoch profeteerde van de komst des Heren en Zijn oordeel, maar zijn prediking werd door de wereld genegeerd. Hetzelfde gebeurt vandaag ook. Vanaf 1828 (het begin van de beweging van de Broeders) werd de wederkomst van Christus overal verkondigd, maar weinigen nemen het ter harte.

    (7) Genesis 6:1-2 ‘Toen de mensen zich op de aarde begonnen te vermenigvuldigen en hun dochters geboren werden, zagen de zonen Gods, dat de dochters der mensen schoon waren, en zij namen zich daaruit vrouwen, wie zij maar verkozen’ - De zonen Gods zijn engelen, niet de godvruchtige nakomelingen van Set;  gevallen engelen hadden ongeoorloofde gemeenschap met de dochters der mensen. Dit is spiritualisme, dat zelfs in onze dagen weid verbreid is.

 

    v.38 Waar is de geschiedenis van Noach hier een type van - de opname van de gelovigen of gelovigen die door de Grote Verdrukking gaan? De opname van de gelovigen lijkt meer voor de hand te liggen. Mensen zien Henoch vaak als type van de opname en Noach als type van het door de Grote Verdrukking gaan. Maar deze uitleggingen zijn voornamelijk gebaseerd op de historische gebeurtenissen in Genesis.

    Want in de Bijbel is Noach van meer dingen een type. Wij zien bijvoorbeeld dat hij in I Petrus 3:20-21 staat voor het behouden worden door de doop.

    Wat wil de Here hier in Mattheüs 24:37 aanduiden? Ongetwijfeld de parousia (‘... zo zal de komst van de Zoon des mensen zijn’). En daarom is de parousia het in de ark gaan van Noach in vers 38. Hoe Noach een type is van de opname kunnen wij opmaken uit de volgende observaties:

    (1) Naast zijn eigen gezin neemt Noach van alle dieren mannetjes en wijfjes mee in de ark; zo neemt ook de Here mannen en vrouwen weg door de opname tijdens Zijn parousia. Dat in de Bijbel dieren mensen kunnen vertegenwoordigen kunnen we zien aan het visioen van Petrus in Handelingen 10.

    (2) Zoals Noach de mannetjes en wijfjes uit het zicht van de mensen in de ark neemt zo neemt ook Christus ons weg zodat de wereld ons niet meer zien kan.

    (3) Zoals Noach hen veilig door de zondvloed leidde zo neemt de Here ons ook weg uit de Grote Verdrukking (Openb. 3:10).

 

    ‘Etende en drinkende, huwende en ten huwelijk gevende’ - Dit soort dingen worden veelvuldig gedaan vandaag. De mensen geven zich meer en meer over aan de lusten van eten en drinken, en wat wordt er vandaag toch veel getrouwd en gescheiden.

 

        v.39 ‘Zo zal ook de komst van de Zoon des mensen zijn’ - De toestand in de dagen van Noach zien we ook vandaag de dag in de wereld ontstaan. En zoals de zondvloed in die dagen plotseling over de mensen kwam, zo zal de Zoon des mensen in de toekomst ook plotseling komen.

 

    v.40-41 ‘Eén zal aangenomen worden en één achtergelaten worden’ - Waarom deze twee verzen? We weten dat allen die bij Noach hoorden in de ark gingen en daardoor gered werden. Is dit dan, als wij dit strikt typologisch bezien, niet een aanwijzing dat alle gelovigen opgenomen zullen worden? Wij moeten echter inzien dat de Here deze twee zinnen er expres aan toevoegt opdat wij de typologische betekenis van de geschiedenis van Noach niet verkeerd zullen begrijpen. Hoewel het waar is dat de komst van de Zoon des mensen zo zal zijn als de zondvloed in de dagen van Noach, is er toch deze ene uitzondering die onze Here tracht uit te leggen. Er zijn drie visies omtrent de betekenis van de mannen en vrouwen die in vers 40 en 41 worden genoemd: (1) zij verwijzen allemaal naar de Joden van die tijd; (2) wie meegenomen worden zijn wedergeboren en wie achtergelaten worden zijn verloren; (3) zowel wie meegenomen worden als wie achterblijven zijn christenen.

    Laten we eerst zorgvuldig de eerste en de derde visie onderzoeken: volgens visie (1) moeten wij aannemen dat degenen die meegenomen worden de Joden zijn die gestraft zullen worden terwijl de achterblijvers de Joden zijn die de zegeningen van het Koninkrijk op aarde zullen genieten. Maar volgens visie (3) moeten wij van het tegenovergestelde uitgaan - dat de mensen die worden meegenomen gered zijn en de zegeningen van de heerlijkheid zullen genieten, terwijl de achterblijvers mensen zijn die gered zijn maar wel door de Grote Verdrukking heen gaan. Voordat wij een keuze kunnen maken tussen visie (1) en (3) moeten wij de woorden ‘aangenomen’ (‘meegenomen’ - Telos) en ‘achtergelaten’ aan een nader onderzoek onderwerpen. Als we van het woord ‘meenemen’ uitgaan dat de Telosvertaling gebruikt dan zou het een negatieve betekenis kunnen krijgen. Dan zouden de Joden die volgens visie (1) worden meegenomen om bestraft te worden niet delen in de vreugde van het Koninkrijk.

    Het woord ‘aangenomen’ is paralambano in het Grieks. Naast ‘aannemen’ of ‘ontvangen’ kan het ook ‘meenemen’ betekenen zoals we al zagen. In het Nieuwe Testament wordt dit woord 52 keer gebruikt, en bijna altijd heeft het daar een positieve betekenis. Johannes 14:3 (‘kom Ik weder en zal u tot Mij nemen’) is de enige plek waar de Here in directe bewoordingen over de opname spreekt. Drie keer nam Hij Petrus, Johannes, en Jakobus met Zich mee (Marc. 5:37, Matt. 17:1 en 26:37). Daar heeft paralambano steeds een positieve betekenis. In Johannes 1:11 (‘en de zijnen hebben Hem niet aangenomen’) is de betekenis positief als zij Hem aannemen. De woorden ‘aanvaard’ in Col. 2:6, ‘ontvangen’ in I Thess. 4:1 (Telos), ‘ontvangen’ in 2:13, ‘ontvangen’ in Hebr. 12:28, ‘neem’ en ‘nam’ in Matt. 2:13 en 14, ‘meenam’ in Hand. 15:39 (Telos), ‘nam’ in 16:33, en ‘nam’ in 23:18 - zijn allemaal paralambano en betekenen iets positiefs. Zelfs in het Oude Testament is het Hebreeuwse woord laqach (dat ook ‘meenemen’ betekent) vertaald met ‘opgenomen’ (Gen. 5:24) en verwijst dus naar de opname; en hetzelfde Hebreeuwse woord laqach betekent in I Samuël 10:23 waar het vertaald wordt met ‘haalde’ ook iets positiefs.

    Hoewel het woord ‘achtergelaten’ ook zijn positieve betekenis heeft in bijv. Genesis 32:8, Numeri 26:65, en Jesaja 24:6, kan het ook op een negatieve manier worden gebruikt. Het hangt er van af door wie ze achtergelaten worden. Als ze door de duivel achtergelaten worden dan is dat het mooiste wat er is. Maar als ze door de Here achtergelaten worden is dat iets verschrikkelijks! Bestaat er iets ergers dan dat? Wee hen die door de duivel worden meegenomen, maar gezegend zijn zij die door de Here worden meegenomen.

   De betekenis van een woord is op zichzelf echter niet voldoende om een oordeel te kunnen vellen. We moeten de context waarin het woord gebruikt wordt in acht nemen. Volgens Mattheüs 24:19 raken degenen die achterblijven in de problemen omdat ze niet kunnen vluchten. En in vers 42 en 43 staat dat de Here zal komen als een dief; wat Hij steelt moet dus het beste zijn. Ook in de gelijkenis van de tien maagden in Mattheüs 25 zijn het de wijze maagden die binnengelaten worden, terwijl de dwaze maagden buiten moeten blijven. Maar of ze nu meegenomen of achtergelaten worden, alle mannen en vrouwen hier in Mattheüs 24:40-41 zijn gered - zodat de achterblijvers niet onder de verlorenen gerekend kunnen worden. De redenen hiervoor zijn de volgende:

    (1) ‘Waakt dan’ (v.42). Het woord ‘dan’ verbindt deze zin met de vorige twee verzen. Omdat u gered bent en leven in u hebt wordt er van u verwacht dat u waakt. Degenen die het leven van de Here niet hebben kunnen niet waken. De beslissende factor is niet het al of niet gered zijn, maar of men goede werken heeft gedaan na de wedergeboorte. Te zeggen dat alle wedergeborenen tezamen opgenomen zullen worden is een ernstige misvatting.

    (2) ‘Uw Here komt’ (v.42). De verlorenen hebben geen heer-dienstknecht relatie met de Here. De mens kan zo’n woord verkeerd gebruiken, maar de Here niet. De verlorene mag zichzelf dan beschouwen als een dienstknecht des Heren, maar de Here zal een term als ‘uw Here’ hier niet zomaar gebruiken.

    (3) ‘... de dief zou komen ...’ (v.43). Als een dief appels komt stelen dan zal hij alleen de rijpe appels meenemen en de andere achterlaten. Het gaat dus niet om een verschil in soort maar om een verschil in rijpheid.

    (4) De vijf dwaze maagden in Mattheüs 25 zijn geen onechte maagden. Zij zijn echte maagden, maar ze zijn niet wijs zoals de andere vijf. De wijze maagden hebben er alles voor over om genoeg olie in hun kruiken mee te dragen, maar de dwaze maagden zijn te lui om een voorraad aan te leggen. Desalniettemin zijn zowel de wijzen als de dwazen maagden, en zij gaan allen uit om de bruidegom te ontmoeten.

    (5) Typologisch gezien kunnen de achterblijvers zowel als degenen die meegenomen worden gered zijn. Henoch (die opgenomen werd) en Noach (die in de ark ging)  waren allebei gered. Maar ook Abraham (de voorbidder) en Lot (die door een verdrukking ging) waren gered. Elia (die werd opgenomen) en Elisa (die achterbleef) waren beiden gered. De discipelen die de Here achterliet toen Hij ten hemel voer waren allemaal gered. Philippus (die werd weggenomen door de Geest) en de kamerling (die achterbleef) waren beiden gered. Wij concluderen daarom dat zowel degenen die opgenomen worden als degenen die achterblijven in vers 40 en 41 gered zijn.

    v.42 Als we vers 40 en 41 verbinden met vers 42 zien we al snel dat het gaat om ‘waken’ of ‘niet waken;’ anders zou de Here niet hebben kunnen zeggen: ‘waakt dan,’ of ‘waakt daarom,’ en Hij zou ons dan ook niet aan kunnen sporen om waakzaam te zijn. Als de voorwaarde voor een vroegtijdige opname de wedergeboorte is, en niet waakzaam zijn en het doen van goede werken na de wedergeboorte, dan zou de Here ons ook niet hoeven aan te sporen waakzaam te zijn; dan worden we immers sowieso opgenomen. Want in dit vers vermaand Hij ons alleen maar om waakzaam te zijn; Hij spreekt niet over bekering, geloof, of wedergeboorte. Zo zien wij dus dat zowel degenen die opgenomen worden als degenen die achtergelaten worden in vers 40-42 gered zijn. De Here zal zeker de verlorenen niet aansporen te waken.

    Voor wie is het woord ‘waakt’ bedoeld? Sommigen zeggen dat dit woord alleen de Joden aangaat en dat wij christenen alleen maar hoeven te wachten. Maar wij weten dat de Joden zelf door de tijd van ‘Jakobs benauwdheid’ moeten gaan: er bestaat geen manier voor hen om onder de toorn van God uit te komen. En daarom kunnen zij niet ontkomen aan de Grote Verdrukking alleen omdat zij waakzaam zijn. Maar voor de Gemeente is waakzaamheid erg nuttig. Waken betekent dat men niet zorgeloos door het leven gaat. Hoe gemakkelijk vertrouwen christenen op zichzelf. Waakzaamheid is het tegenovergestelde van zorgeloosheid. Wie slaapt moet zoveel zelfvertrouwen hebben dat hij denkt dat er niets gaat gebeuren, terwijl de waakzame christen absoluut geen vertrouwen heeft in zijn vlees. Wie teveel zelfvertrouwen heeft valt sneller, want opscheppen door te zeggen ‘ik ben beter dan gisteren’ opent de deur voor nederlagen. Alleen de persoon die zich goed bewust is van zijn eigen onvermogen zal waakzaam zijn. Waken is voorzichtig zijn, dagelijks uitkijken naar een eventuele kans op een val. Wie van zichzelf denkt dat hij niet kan vallen zal niet waakzaam zijn. Wij moeten aan de hand van dit alles de volgende vraag stellen: als alle gelovigen tezamen opgenomen zouden worden, waarom zou de Here ons dan opdragen te waken? Waar is het waken dan voor nodig? Bovendien, als wij zouden weten wanneer Hij komt dan zouden we ook niet hoeven te waken. Maar omdat de Here ons niet heeft meegedeeld wat de ure van Zijn komst is moeten wij waken.

 

 

 

B. Lessen van de gelijkenis van de heer des huizes - Matt. 24:43-44

 

    v.43 Deze gelijkenis wordt gebruikt om de parousia van de Here verder te verduidelijken. Er spelen vier factoren mee in deze gelijkenis, namelijk: (1) het huis, (2) de heer des huizes, (3) de dief, en (4) het stelen.

    (1) Het huis verwijst naar het werk van de gelovige. Hebreeën 3:6 spreekt van het huis van gelovigen, gelovigen die samen een huis vormen, en Marcus 13:34 spreekt van het huis van de Here. In beide gevallen is het het huis van geloof. En Mattheüs 7:24 zegt ons hoe een gelovige het huis bouwt.

    (2) Als het huis naar onze werken verwijst, dan verwijst de heer des huizes naar onszelf.

    (3) De dief symboliseert hier de Here (zie ook I Thess. 5:2, II Petr. 3:10, Openb. 3:3 en 16:15).

    (4) Het stelen. Een gewone dief steelt om de heer des huizes schade te berokkenen, maar de Here steelt om ons een grotere zegen te geven. Een gewone dief komt zonder zich vooraf aan te kondigen, maar de Here zegt van tevoren dat Hij komt. Een gewone dief neemt de dingen die hij gestolen heeft mee naar zijn eigen huis; en zo zal de Here ook ons naar Zijn eigen plaats brengen - de troon.

    ‘Hij zou .... in zijn huis niet hebben laten inbreken’ - Normaal gesproken zal als het stelen succesvol is in het huis ingebroken kunnen worden. Als het niet succesvol is dan is er niet ingebroken. De dief neemt meestal de kostbare dingen mee en laat de waardeloze dingen achter, waardoor de heer des huizes schade lijdt. Maar dit soort gevolgen heeft de komst des Heren niet. De hoofdreden voor het gebruiken van deze gelijkenis is het benadrukken van het onverwachtse van de komst des Heren. We moeten de kleinere details in deze gelijkenis laten voor wat ze zijn. De enige geloofwaardige manier om deze gelijkenis uit te leggen is hem te interpreteren aan de hand van I Thess. 5:4-10. De meest beklagenswaardige toestand onder Gods kinderen vandaag de dag is dat velen bereid zijn om achter te blijven.

    Zegt I Thessalonicenzen 5:4-10 ons niet dat wij  ‘kinderen des lichts’ zijn? Wij moeten daarom niet toestaan dat de Here ons overvalt als een dief in de nacht. Waarschuwde de Here Sardis niet met de woorden: ‘Als gij dan niet waakt, zal Ik komen als een dief, en gij zult geenszins weten op wat voor uur Ik tot u zal komen’ (Openb. 3:3, Telos - de NBG-vertaling heeft: ‘op welk uur Ik u zal overvallen’). Als de Gemeente net als de gemeente te Thessalonica is, dan zijn de gelovigen kinderen des lichts. Maar als zij dood is, zoals Sardis, dan zal de Here komen als een dief en zal zij niet weten op welk uur Hij komt. Als de heer des huizes in zijn huis laat inbreken dan is dat zijn eigen schuld, omdat de heer van elk huis weet dat de dief zal komen; want is ons dat niet meegedeeld door de profetieën? Wij weten dat Hij komt, maar we weten niet wanneer Hij komt. Toen de Here deze aarde verliet brak op dat ogenblik een lange en donkere nacht aan die tot op de huidige dag voortduurt (dat wil zeggen: deze tijd is moreel en geestelijk gezien duister). We weten dat de Here zal komen aan het einde van deze lange en donkere nacht, we weten echter niet precies op welk uur. Maar juist deze onwetendheid aangaande het uur van Zijn wederkomst moet ons waakzaam maken: wij moeten ons gebrek aan kennis aangaande het uur aanvullen met een houding van waakzaamheid. De fout van de heer des huizes is dus (1) dat hij geen gebruik maakt van de kennis die hij heeft, en (2) dat hij zijn gebrek aan kennis omtrent het uur niet aanvult met een houding van waakzaamheid. Hoezeer moeten wij altijd op onze hoede zijn voor de vijand, de wereld, en onszelf. Jessie Penn-Lewis zei eens: ‘Het leven van een christen is van de eerste dag af een leven van zorgvuldig waken!’ De opname is dus een teken voor de Joden, maar voor de gelovigen die achterblijven is het het teken dat de dagen van de Grote Verdrukking zijn aangebroken. Voor de Joden is de parousia als een bliksemflits (die na de Grote Verdrukking komt); voor de Gemeente lijkt de parousia op het werk van een dief.

 

    v.44 ‘De Zoon des mensen’ - Sommige mensen (zoals C. I. Scofield) zijn van mening dat de Here zich hier alleen ‘Zoon des mensen’ noemt in relatie tot de Joden; en dat Hij deze titel nooit gebruikt in relatie tot de Gemeente. Maar we zullen zien dat ‘Zoon des mensen’ ook de naam van de Here is in het Koninkrijk, en dus ook gerelateerd is aan de Gemeente. Bijvoorbeeld, Stephanus, een lid van de Gemeente, noemde de Here ook Zoon des mensen (Hand. 7:56). Bovendien wordt de Here in Hebreeën 2:6, waar naar de heerlijkheid van Christus in het Koninkrijk verwezen wordt, ook Zoon des mensen genoemd. Merk ook op dat Johannes 5:27-29 spreekt van het gezag dat de Here heeft om het oordeel uit te voeren in het Koninkrijk omdat Hij de Zoon des mensen is. Mattheüs 19:28 spreekt van de Here als zijnde de Zoon des mensen zittende op de troon Zijner heerlijkheid. En Mattheüs 25:31 zegt dat de Zoon des mensen zal komen in Zijn heerlijkheid. Mattheüs 13:41 en 16:27-28 verwijzen beide naar de Zoon des mensen in het Koninkrijk. En Johannes 6:53-54 maakt duidelijk dat allen die het vlees van de Zoon des mensen eten en Zijn bloed drinken opgewekt zullen worden op de laatste dag en dus in het Koninkrijk zullen zijn. De naam ‘Zoon des mensen’ is dus de naam van de Here in het Koninkrijk. Hij oefent Zijn koningschap uit als Mens.

 

 

 

C. De gelijkenis van de trouwe en de slechte slaaf - Matt. 24:45-51

 

    In dit gedeelte hebben we nog een andere gelijkenis - die van de twee soorten slaven. De Here noemt twee verschillende soorten slaven: men kan òf een trouwe en verstandige slaaf zijn òf een slechte slaaf.

 

    v.45-47 De gelijkenis van de verstandige slaaf wordt ons in vier stappen voorgesteld: (1) het dienstvolk, of de huisbedienden (Telos), (2) de opdracht van de Here, (3) de eisen die de Here stelt aan de slaaf, en (4) de beloning.

    (1) Het dienstvolk. Dit is iets anders dan het huis in de vorige gelijkenis. Het huis in die gelijkenis is persoonlijk en gaat over de persoon zelf, terwijl ‘dienstvolk’ van iets gezamenlijks spreekt; het behoort de Here toe, het is Zijn eigendom. Dit komt overeen met wat in Hebreeën 3:6 en Marcus 13:34 staat, waar het huis alle gelovigen omvat (zie ook I Tim. 3:15). Het dienstvolk verwijst hier dus naar de Gemeente.

    (2) De opdracht van de Here.

        (a) ‘Over zijn dienstvolk gesteld heeft’ - Dit spreekt van gezag.

        (b) ‘Om hun op tijd hun voedsel te geven’ - Dit spreekt van één of meerdere bedieningen.

    Dit is het - voor Gods aangezicht - hoeden van de gemeente die hem is toevertrouwd, het is een plicht, een opdracht die hij vervullen moet. (Laten wij deze woorden niet verkeerd verstaan door te denken dat één dienstknecht in zijn eentje over al het dienstvolk heerst. Deze ongegronde denkwijze is voor de Paus reden genoeg om aan zijn positie in de Rooms Katholieke Kerk vast te houden. En dit vers bedoelt ook niet te zeggen dat een dominee of pastor kan regeren over de broeders en zusters in een plaatselijke gemeente; want in vers 49 staat dat deze slaaf medeslaven heeft. De Here gebruikt deze ene slaaf slechts als voorbeeld. Het werk bestaat uit regeren. Elke dienstknecht in het huisgezin van God heeft wat gezag. Elke met bloed gekochte dienaar van de Here heeft een zekere mate van gezag om te regeren en om een bediening uit te voeren. Sommige mensen verkondigen dat de Gemeente vandaag de dag haar ogen van zichzelf moet afwenden, hetgeen inhoudt dat zij eenstemmig het evangelie moet verkondigen zonder enig ander werk te doen. Maar is zelfs de prediking van het evangelie niet het bijeen vergaderen van materiaal voor de opbouw van de Gemeente (Ef. 4:11-12)? Het redden van mensen is een middel, niet een doel. Het doel is de opbouw van de Gemeente, en dat wordt gedaan door het dienstvolk op zijn tijd materiaal en voedsel te geven. Laten wij allemaal ons best doen om de Here te dienen door elkaar te helpen. Op tijd voedsel geven is onze bediening. Dit is het mensen dienen met de dingen van God en met het woord van God. Het prediken van Gods woord is het verstrekken van voedsel, hoewel dat niet altijd zo hoeft te zijn. Want tenzij mensen werkelijk verzadigd worden, en tenzij de prediking tot berouw en gehoorzaamheid leidt, is het geen verstrekken van voedsel. Laten wij daarom die broeders uitzoeken die op verschillende terreinen hulp nodig hebben en hen voedsel geven overeenkomstig hun behoefte. Wij moeten zien dat wij allemaal dienstknechten zijn. Wij moeten op tijd voedsel verstrekken en nooit een houding van superioriteit aannemen, opdat de mensen niet van honger sterven.

    (3) De eisen van de Here. Er worden hier twee voorwaarden genoemd: trouw zijn aan de Here en wijs ten opzichte van de broeders. Wij draaien het echter vaak om. Aan de ene kant worden wij te trouw jegens mensen door hen flink uit te schelden en hen de waarheid eens goed onder de neus te wrijven; en zodoende schieten wij in wijsheid te kort - hoewel wij trouw zijn - omdat wij niet weten hoe wij de waarheid in liefde moeten vertellen. Aan de andere kant zijn wij niet trouw genoeg jegens God omdat wij teveel van onze eigen wijsheid gebruiken om onszelf te verontschuldigen, onze fouten te bedekken, en onszelf te troosten. (Laat mij er wel even bij vertellen dat wij zeker trouw moeten zijn jegens mensen. Alleen is het zo dat wijsheid in de omgang met mensen er vaak toe leidt dat wij allerlei slimme manoeuvres toepassen; maar alleen trouw zijn jegens mensen kan ertoe leiden dat wij trouw zijn op het dwaze af, we zijn dan trouw zonder na te denken over wat de gevolgen kunnen zijn van wat we zeggen. De juiste oplossing is dat wij zowel trouw als wijs moeten zijn in de omgang met de broeders.)

    Trouw zijn is (a) niets buiten beschouwing laten: wat de Here ook zegt, dat aanvaarden wij, niet meer en niet minder; en (b) niet op uw eigenbelang letten: nooit ontrouw zijn vanwege persoonlijke redenen of overwegingen. Daarom moet degene die trouw wil zijn zichzelf verloochenen en het kruis aanvaarden. Hij moet zijn eigen schranderheid verzaken, want schranderheid komt vaak van de mens terwijl wijsheid van God komt. Vandaag de dag zijn degenen die het meest trouw zijn ook het meest dwaas, onbezonnen, onattent, en individualistisch. Wijsheid is dus echt nodig. Veel van Gods werken worden tenietgedaan door  trouwe gelovigen die het aan wijsheid ontbreekt. Uiteraard is het beter trouw te zijn en gebrek aan wijsheid te hebben dan wijs te zijn maar een gebrek aan trouw te hebben. Vandaag de dag zijn er teveel wijze maar ontrouwe dienstknechten die de smalle poort breder maken. Zulke mensen kunnen niet Gods dienstknecht zijn.

    (4) Beloning. ‘Hij zal hem over al zijn bezit stellen’ - Vers 46 zegt: ‘Zalig die slaaf, die zijn heer bij zijn komst zó bezig zal vinden.’ Deze zegening verwijst naar de beloning in het Koninkrijk. ‘Over al zijn bezit stellen’ - Dit betekent regeren, besturen. Druk bezig zijn vandaag is iets anders dan druk bezig zijn in het Koninkrijk. Er zijn vele zaken in het Koninkrijk die bestuur vereisen. Maar de taken van vandaag testen alleen maar of iemand in staat is om te werken in het Koninkrijk. Als iemand in staat is om de broeders vandaag te dienen, dan zal hij worden gebruikt om hen in het Koninkrijk te dienen. Vandaag laat God hem iets kleins doen; in die dag zal Hij hem over vele dingen stellen. Wie vandaag zelfzuchtig is en lui zal dan niet kunnen regeren.

 

    v.48-51 Dit gedeelte kan in vier delen onderverdeeld worden: (1) of de slechte slaaf een christen is of niet, (2) wat zijn fouten zijn, (3) wat de oorzaak van zijn fouten is, en (4) wat de gevolgen zijn.

    (1) Is de slechte slaaf een christen? Ja dat is hij. Hij is gered. De redenen voor deze conclusie zijn de volgende: (a) De slechte slaaf is dezelfde slaaf die de Here over zijn dienstvolk gesteld heeft (v.45). Aanstelling door de Here is niet hetzelfde als aanwijzing door mensen, want mensen kunnen fouten maken. De Here kan geen verkeerde mensen aanstellen; desalniettemin hangt de vraag of de slaaf trouw of slecht zal zijn volledig af van hoe hij het er vanaf brengt. (b) De slechte slaaf noemt de Here ‘mijn heer’ - waarmee bewezen wordt dat hij een persoonlijke relatie met de Here heeft. En deze belijdenis komt uit zijn hart (alleen met de mond belijden hoeft niet betrouwbaar te zijn). Zie ook Romeinen 10: 9-10 en I Korinthiërs 12:3. (c) De slechte slaaf gelooft niet alleen in de Here maar wacht ook op Zijn wederkomst. Zijn fout is dat hij denkt dat zijn Heer uitblijft. Een ongered persoon kan zoiets niet in zijn hart denken.

    Ondanks de drie bovenstaande redenen houden veel mensen nog steeds vol dat de slechte slaaf niet gered is vanwege (a) zijn gedrag, (b) het negatieve oordeel van de Here over hem, en (c) zijn straf. Degenen die deze interpretatie volgen leggen de gelijkenis als volgt uit: (a) als hij gered is hoe kan hij dan ooit zijn medeslaven slaan en drinken met de dronkaards? Laat mij hier op antwoorden dat een waar christen nog steeds in staat is om allerlei soorten zonden te bedrijven na de wedergeboorte. Denk er aan dat de persoon die de verschrikkelijke zonde van incest beging in I Korinthiërs 5 een wedergeboren gelovige was! (b) De Here doet hem delen in het lot der huichelaars. Dit betekent dat hij als gelovige net zo hypocriet is als de ongelovige hypocrieten. Lucas 12:46 zegt het nog duidelijker: ‘En hem in het lot der trouwelozen [Grieks: ongelovigen] doen delen.’ Hij is dus een gelovige die zal delen in het lot der ongelovigen. (c) ‘Folteren’ - Dit is waarschijnlijk een handeling waardoor hij tijdelijk van de Here gescheiden wordt. Vergelijk het verslag van Mattheüs met dat van Lucas 12:47-48 waar ons verteld wordt dat de slechte slaaf vele slagen zal ontvangen. Geslagen worden is iets anders dan verloren gaan, want de schapen van de Here gaan nooit verloren (Joh. 10:27-28).

    (2) Wat zijn de fouten van de slechte slaaf? Vers 49 noemt ons twee zonden: (a) hij slaat zijn medeslaven - een handeling ten opzichte van gelovigen, ofwel, zij die horen bij het ‘dienstvolk,’ of die tot het huisgezin van God behoren, en (b) hij eet en drinkt met de dronkaards - een handeling ten opzichte van de ongelovigen, ofwel degenen die zich buiten het huisgezin bevinden. ‘Medeslaven’ zijn zij die tezamen dienen. ‘Slaan’ is een woord dat misbruik uitbeeld van gezag dat door de Here gegeven is. ‘Eten en drinken’ is gemeenschap hebben met de wereld. Iemand ‘slaan’ wil zeggen dat men meer gezag denkt te hebben - en dus hoger staat - dan een ander: vergetende dat tucht een zaak is die in Gods handen ligt. Een broeder mag niet verder gaan dan een andere broeder een reprimande geven. Het ‘slaan’ van een ander ontneemt God Zijn eigen gezag in het uitoefenen van tucht. Wanneer iemand meent dat hij speciaal gezag heeft om over zijn mededienstknechten te heersen dan slaat hij ze als het ware. Mattheüs 23:8 zegt dan ook: ‘gij zijt allen broeders.’ Iemand ‘slaan’ is ook je geduld met iemand verliezen. Wanneer men zichzelf beheerst dan ‘slaat’ men andere mensen niet. Anderen ‘slaan’ hoeft niet noodzakelijkerwijs met een stok of een zweep te gebeuren. Geestelijk en psychologisch gezien kan alles wat mensen pijn doet of wonden slaat in hun ziel het ‘slaan’ van anderen genoemd worden. Men kan mensen pijn doen met woorden, ongelofelijk veel leed veroorzaken met een scherpe bijtende tong. Het doel van zo iemand is mensen drie tot vijf dagen te laten lijden terwijl hijzelf ondertussen veel plezier heeft. Dit is het slaan van anderen. Wij moeten altijd bezig zijn met het helen van wonden -  met olie en wijn - en niet voortdurend aan mensen gaan ‘opereren’ waardoor nieuwe wonden ontstaan. Gods kinderen hebben al genoeg pijn en wonden. Hoe kunnen wij ooit de gedachte koesteren hen nog meer wonden toe te brengen? Allen die trots zijn, individualistisch, of driftig van aard, hebben vaak de neiging om mensen te ‘slaan.’ De andere zonde is eenwording met de wereld. Een dronkaard is volgens de Schrift iemand die verstrikt is geraakt in de wereld. Wie door de drank niet meer goed kan zien is ongetwijfeld flink aangeslagen. Zo is ook de persoon wiens hart overmatig bezwaard is door rijkdom, roem, enzovoorts, verdoofd in zijn geestelijke waarnemingsvermogens en kan dus voor dronken worden gehouden. De slaaf, een gelovige, hoort geen gemeenschap te hebben met de dronkaards (dat is de leer van II Kor. 6:14 en verder), want eten en drinken heeft in de Schrift vooral de betekenis van gemeenschap. Nadat Lot scheidde van Abraham ging hij naar Sodom; deze handeling tekent zijn verbinding met de wereld. Als een broeder een afkeer heeft van een andere broeder maar zich verheugd in de wereldling dan is hij gevallen. Bovenstaande twee zonden kunnen vrij gemakkelijk begaan worden door elke gelovige.

    (3) Wat is de oorzaak van zijn fouten? Die reden vinden wij in vers 48: ‘Mijn heer blijft uit’ - Hij gelooft echt in de wederkomst van de Here maar denkt dat de Here Zijn komst nog wat uitstelt. Wie niet gelooft in de spoedige wederkomst van de Here is een slechte slaaf. Wat is volgens de Here de fout van deze slechte slaaf? Het is dit: hoewel hij met zijn mond belijdt dat de Here inderdaad komt denkt hij in zijn hart  dat de Here later komt. Wat een hachelijke positie is dat! Zal men waken als men er geen idee van heeft dat de Here spoedig komt? Veel mensen willen niet dat de Here spoedig komt omdat daardoor hun plannen niet door kunnen gaan. Zij kunnen niet met Johannes bidden: ‘Amen, kom, Here Jezus!’ Wij moeten de juiste houding en het verlangen hebben voor wat betreft de spoedige wederkomst van de Here Jezus. Bekendheid met de profetieën is niet genoeg, want de slechte slaaf kent de profetieën ook.

    (4) Wat is het gevolg? De Here komt eerder dan de slechte slaaf denkt. Als iemand gelooft dat de Here later komt, dan zal hij merken dat zijn Here eerder komt dan hij denkt. Wat is de straf? De Here zal hem doen delen in het lot der huichelaars. Dat betekent niet dat hij dezelfde straf als de huichelaars ondergaat, zoals ook degenen die in dezelfde gevangenis zitten niet allemaal dezelfde straf ondergaan. Het ‘geween en het tandengeknars’ symboliseert diepe wroeging (over eigen falen) en waarachtig berouw.

Tot slot: Onder alle teksten over de opname zijn er teksten die over een onvoorwaardelijke opname gaan en teksten die over een voorwaardelijke opname gaan. En alle teksten die over de onvoorwaardelijke opname gaan, spreken over een opname na de Grote Verdrukking, een opname naar de lucht, terwijl de teksten die voorwaarden stellen om opgenomen te kunnen worden spreken over een opname voor de Grote Verdrukking, een opname naar de troon.

    Teksten over de onvoorwaardelijke opname gaan zijn de volgende: I Thess. 4:16, 17; I Kor. 15:50-52; I Kor. 15:23 (samen lezen met v. 52); Op. 14:1-5 en 14-15. Teksten over de voorwaardelijke opname: Op. 3:10; Luc. 21:34, 36 (waar is de Zoon? Op de troon); Op. 12:5 (naar de troon).