De Grote Eindtijdprofetie van Jezus in Mattheüs 24 en 25 - Deel IV


Aangaande de Volkeren (25:31-46)  


 Door Watchman Nee


Uit: The King and the Kingdom of Heaven       


            

 

de gelijkenis van de schapen en de bokken

 

Deze gelijkenis is van toepassing op de heidenen. Volgens de Schrift is de bewoonde wereld onderverdeeld in drie ‘soorten’ mensen: de Joden, de Gemeente, en de volkeren. De Joden en de Gemeente zijn al besproken in hoofdstuk 24 en 25. In dit laatste gedeelte van hoofdstuk 25 staat wat Jezus geprofeteerd heeft over wat er met de volkeren zal gebeuren in de eindtijd. Er zijn echter twee foutieve interpretaties die geleerd worden. Eén van deze staat een universeel oordeel in de toekomst voor; en de andere zegt dat deze gelijkenis het oordeel over de christenen symboliseert. Laten wij beide interpretaties onderzoeken en er een aantal opmerkingen over maken.

 

    (1) Universeel oordeel

 

          (a) Als deze gelijkenis naar een toekomstig universeel oordeel verwijst, dan moeten in dat oordeel zowel de Joden, de Gemeente, als de volkeren inbegrepen zijn, zowel de levenden als de doden. In de eerste plaats moet gezegd worden dat het idee van een groot universeel oordeel een ernstige misvatting is onder sommigen in de Gemeente vandaag de dag. Want de Bijbel leert nergens het concept van een universeel oordeel. Integendeel, de Bijbel leert dat de Gemeente, de Joden, en de volkeren afzonderlijk geoordeeld worden. Helaas gebruiken sommige mensen deze gelijkenis als basis voor de gedachte dat men niet zeker kan weten of men gered is tot men voor de oordeelstroon staat. Daarom hopen veel mensen dat er nog mogelijkheden zijn om na de dood gered te worden. En zo wordt de Gemeente vandaag een haven voor veel mensen die alleen maar hopen op het eeuwige leven. Want als de leer van een universeel oordeel juist is, dan kunnen we vandaag inderdaad niet met zekerheid zeggen dat wij gered zijn.

         (b) Wie worden er in deze gelijkenis geoordeeld? Er wordt ons meegedeeld dat het ‘al de volkeren’ zijn (v.32). In het Grieks wordt hier voor ‘volkeren’ hetzelfde woord gebruikt als voor ‘de heidenen’ in Mattheüs 4:15; 16:32; 10:5, 18; 12:18; en 20:19, 25. Het is een Grieks woord dat ‘alle heidenen’ betekent.       

         (c) Wanneer wordt dit oordeel uitgeoefend? De Here zegt ons dat het voor het Duizendjarig Rijk is (v.34). Openbaring 20:11-15 zegt ons dat het oordeel van de grote witte troon na het Duizendjarig Rijk is. En dus weten wij door deze feiten dat er niet zoiets als een universeel oordeel is.

         (d) Waar wordt het oordeel in deze gelijkenis gehouden? Ons wordt verteld dat de Zoon des mensen zal zitten op de troon Zijner heerlijkheid. In Openbaring 3:21 zien wij twee tronen - die van de Vader en die van de Zoon. Vandaag zit de Here op de troon van Zijn Vader. In de toekomst zal Hij echter op Zijn eigen troon zitten. De troon hier in Mattheüs 25 is Zijn eigen troon, ofwel, Zijn troon op aarde in het Koninkrijk; want hoe kunnen de volkeren van elkaar gescheiden worden als zij in de lucht zijn en niet op aarde? Want nationale grenzen zijn er alleen op aarde. Als zij in de lucht zijn, betekent dat dat de geoordeelden opgenomen moeten worden - hetgeen zou betekenen dat een deel van de opgenomenen ongered is, wat niet waar kan zijn.

         (e) Degenen die geoordeeld worden, leven in deze gelijkenis. Geen van hen is dood. De Schrift zegt duidelijk dat er tweemaal een opstanding plaatsheeft (Openb. 20:5, 13). Tussen de eerste en de laatste opstanding zit duizend jaar. Wij weten dat van degenen die opstaan bij de eerste opstanding niemand ongered is. Maar in deze gelijkenis worden de bokken veroordeeld tot het eeuwige vuur, en daarom kan deze gelijkenis niet over de eerste opstanding gaan en dus ook niet over christenen.

         (f) In de tijd waarin deze gelijkenis zich afspeelt is de Satan nog niet in de poel van vuur en zwavel geworpen; het woord ‘bereid’ in vers 41 laat zien dat dit nog niet gebeurd is. Als dit oordeel hetzelfde zou zijn als het oordeel voor de grote witte troon, zou Satan in deze gelijkenis al in de poel van vuur en zwavel moeten zijn.

         (g) De titel ‘Zoon des mensen’ is een naam die gebruikt wordt in verband met het Koninkrijk. Na het Duizendjarig Rijk zal de Zoon des mensen ‘het koningschap aan God de Vader overdragen’ (I Kor. 15:24).

         (h) Profetieën moeten worden uitgelegd met behulp van andere profetieën, en als wij dat doen, kunnen wij zo zien dat de Bijbel spreekt over meerdere oordelen.

 

     (2) Een oordeel over de Gemeente. Deze gelijkenis van de schapen en de bokken verwijst niet naar een oordeel over de Gemeente. Mensen denken meestal dat schapen altijd naar christenen verwijzen (Joh. 10), maar dat is hier niet het geval. De redenen daarvoor zijn:

 

         (a) Zoals we hebben gezien zijn de ‘volkeren’ de heidenen.

         (b) Deze mensen (zowel de schapen als de bokken) hebben de Here nooit gekend.

         (c) Zij worden niet naar de Mozaïsche wet geoordeeld, noch naar geloof; zij worden alleen naar hun werken geoordeeld - waardoor ze duidelijk onderscheiden worden van de Joden en de Gemeente.

         (d) De Gemeente is gekozen vóór de grondlegging der wereld (Ef. 1:4), terwijl de schapen in deze gelijkenis zijn gekozen vanaf de grondlegging der wereld (Matt. 25:34).

         (e) Deze schapen zijn vriendelijk geweest jegens de minste broeders van de Here (Matt. 25:40) zonder dat zij zich ervan bewust waren dat zij door zo te handelen vriendelijk jegens de Here zelf geweest zijn. Als dit christenen waren hoe konden zij het dan niet weten? Want christenen behandelen de minste van de broeders des Heren goed om des Heren wil, en zelfs de Joden geven aalmoezen omwille van de Here. Maar deze mensen waren zich er helemaal niet van bewust, zij waren onwetend. De Gemeente, met inbegrip van de luie en de slechte slaaf (Matt. 25: 24 en 24:48), kent de Here.

         (f) Het oordeel over ons christenen wordt uitgevoerd in de lucht, niet op aarde.

         (g) Het oordeel in deze gelijkenis is niet gerelateerd aan de eerste opstanding, omdat deze mensen (zowel de schapen als de bokken) niet gered zijn.

         (h) Het oordeel in deze gelijkenis resulteert in òf eeuwig leven òf eeuwige dood. Maar bij gelovigen is deze zaak al beslist tijdens hun leven.

         (i) God voegt de geredden en de verlorenen nooit bij elkaar.

         (j) De minste broeders (Matt. 25:40) moeten andere mensen zijn dan deze schapen en bokken. Het zijn de gelovigen die al door het oordeel zijn heengegaan. Zij kunnen geen Joden* zijn, want de Here heeft zijn ‘broeder-relatie’ met hen verbroken (Matt. 12:46-50). En als de schapen christenen zijn, zijn zij vermengd met de bokken.

         (k) Christenen weten heel goed dat zij Gods kinderen moeten liefhebben, maar deze mensen weten dat niet.

         (l) Als deze schapen christenen symboliseren, worden christenen niet gered door geloof alleen, maar door goed te zijn jegens de minste broeders des Heren.

         (m) Als mensen gered worden door het uitdelen van voedsel, het bewijzen van gastvrijheid, het verzenden van kleding, en het bezoeken van zieken en gevangenen, dan zouden de minste broeders zelf niet eens gered kunnen worden: want hoe kan een gevangene zulke goede daden verrichten?

   

* Maar zie de voetnoot hierover bij 25:35-36.

 

    De gelijkenis van de schapen en de bokken kan in vier delen worden onderverdeeld: (1) het verzamelen van de schapen en de bokken (v.31-33); (2) het onderhoud met de schapen (v.34-40); (3) het onderhoud met de bokken (v.41-45); en (4) de gevolgen (v.46).

 

    v.31-33 Deze verzen vormen het eerste deel van de gelijkenis - het verzamelen van de schapen en de bokken.

 

    v.31 ‘De Zoon des mensen’ - Alle namen van de Here in hoofdstuk 25 zijn zeer betekenisvol: de naam bruidegom is duidelijk gerelateerd aan de maagden, de naam heer is gerelateerd aan de slaven, en de naam Zoon des mensen is terecht gerelateerd aan de volkeren (alsook aan het Koninkrijk - zie onder). Als de Zoon des mensen heeft de Here Jezus een ‘relatie’ met de mensheid in zijn geheel. Eigenlijk is vers 31-46 van Mattheüs 25 niet een gelijkenis, want het begint niet met woorden als ‘gelijk’ of ‘het is als,’ het is veeleer een verslag van feitelijke gebeurtenissen. De Zoon des mensen heeft macht om te oordelen. Als Zoon van God wekt de Here mensen op uit de dood, en dat is Zijn relatie tot de Gemeente; als Zoon des mensen voert Hij het oordeel uit, en dat is Zijn relatie tot de heidenen (zie Joh. 5:25, 27). De Zoon des mensen is ook gerelateerd aan het koninkrijk (zie Dan. 7:13-14). De Here zal komen en Zijn Koninkrijk vestigen, maar eerst moet Hij de wereld oordelen. Alleen zij die ongeschonden door het oordeel heen komen zijn geschikt om in het Koninkrijk te leven. Zullen wij niet heersen met Christus? Hoe kunnen wij regeren als er geen mensen zijn? Bestaat er een koninkrijk dat geen mensen heeft?

    ‘... komt in zijn heerlijkheid en al de engelen met Hem’ - De heerlijkheid des Heren is veelzijdig: de heerlijkheid van de Godheid, Zijn morele heerlijkheid, de heerlijkheid van het mens zijn, en de heerlijkheid die God Hem gegeven heeft (Filippenzen 2:9-11). Hier is het Zijn heerlijkheid als de verhoogde Mens. Hij ontvangt deze heerlijkheid als gevolg van Zijn gehoorzaam zijn tot de dood. Het Koninkrijk is Gods beloning voor Hem. Deze heerlijkheid is dus niet Zijn eeuwige heerlijkheid die hij alleen deelt met Zijn vader in de eeuwigheid. Het beeld dat hier geschilderd wordt lijkt erg veel op dat van Mattheüs 24:30. En dus volgt dit oordeel de lijn van Mattheüs 24:30.

    ‘En al de engelen met Hem’ - Zij zijn nodig om alle volkeren te verzamelen. Deze heidenen hebben de anti-Christ niet geholpen in zijn oorlog. Want de heidenen die de anti-Christ helpen in de oorlog zullen worden geslagen met het scherpe zwaard dat uit de mond van Christus komt (Openb. 19:21). We zien dus dat deze mensen noch in de Here geloven noch de anti-Christ volgen.

    ‘Dan zal Hij plaatsnemen op de troon zijner heerlijkheid’ - Vandaag zit de Here op de genadetroon vanwaar wij te gelegener tijd hulp verkrijgen (Hebr. 4:6).

Maar op die dag zal het de troon der heerlijkheid zijn, die zeer heilig is en van waaruit zeer snel geoordeeld wordt: heerlijkheid     heilig     rechtvaardig     oordeel.

    Deze troon wordt op aarde in Jeruzalem neergezet. De troon van God is nu in de hemel (Matt. 25:31), en vandaag zit de Zoon op de troon van Zijn Vader (Openb. 3:20). Hoe weten wij dat deze troon in Jeruzalem zal worden neergezet? De bewijzen daarvoor vinden we in Psalm 122: 3-5 en Lucas 1:32-33. De troon van David staat in Jeruzalem en wij weten dat de troon van Christus de troon van David is. Zijn heerlijke troon wordt al genoemd in Mattheüs 19:28. De eerste ‘heerlijkheid’ in vers 31 is de heerlijkheid waarmee Hij komt, terwijl de tweede ‘heerlijkheid’ in dat vers de heerlijkheid is die blijft.

 

    v.32 De zin ‘alle volkeren’ verwijst zoals we al gezegd hebben naar alle heidenen. Wie zijn deze heidenen die verzameld worden? Het zijn zij die nog leven en die geoordeeld gaan worden. Wij moeten beseffen dat er twee soorten heidenen zijn: de ene groep zal met het zwaard dat uit de mond van de Here komt worden geslagen omdat zij de anti-Christ volgen; de andere - grootste - groep heidenen zijn zij die de anti-Christ niet volgen. Het oordeel dat komt over de heidenen die de anti-Christ volgen staat beschreven in Joël 3:12, Micha 4:11-13, Sefanja 3:8, Zacharia 12:3, en Openbaring 16:14 en 19:19, 21. Zij worden aangespoord door de anti-Christ om uit te gaan en de Joden te vernietigen, maar zij zelf zullen worden vernietigd wanneer de Here verschijnt.

    ‘Hij zal ze van elkander scheiden’ - Deze actie wordt vergeleken met een herder die de schapen van de bokken scheidt. Deze uitdrukking brengt een kleine gelijkenis in dit gedeelte binnen. In de Schrift kunnen wij lezen dat de Here drie soorten schapen heeft: (1) de gelovigen in de Gemeente (Joh. 10); (2) de Joden (Ps. 80:1, Jer. 23:1-4 en 31:10); en (3) de volkeren/heidenen (zie Ps. 100:1-3). Schapen zijn dus niet alleen christenen. Het is niet mogelijk deze scheiding aan te brengen in de hemel of in de hel. Scheiding is alleen mogelijk op aarde. Eerst scheiden dan oordelen. Het is niet zoals voor de grote witte troon, waar eerst de boeken geopend worden en dan pas het oordeel wordt uitgevoerd. Hier is het niet een scheiding die van werken, maar van aard afhankelijk is. Want de schapen handelen van nature als schapen, terwijl de bokken vanzelfsprekend als bokken handelen.

 

    v.33 ‘Aan zijn rechterhand’ - De rechterhand is de plaats van heerlijkheid. De Here Jezus ging na Zijn verheerlijking ook aan de rechterhand van de Vader zitten.

 

    v.34-40 Het tweede deel van de gelijkenis gaat over het onderhoud met de schapen. ‘Dan zal de Koning tot hen, die aan zijn rechterhand zijn, zeggen’ - ‘Koning’ is hier een nieuwe titel. De Here is ook Koning over de heidenen. Voor de Gemeente is Hij zowel Hoofd als Bruidegom.

    ‘Gij gezegenden van mijn Vader’ - Er staat ‘mijn’ Vader en niet ‘onze’ Vader. ‘Onze’ Vader staat niet vaak in de Bijbel maar de Here gebruikte één keer de uitdrukking: ‘Mijn Vader en uw Vader’ (Joh. 20:17). Omdat de Here hier alleen zegt ‘mijn Vader’ wordt duidelijk dat deze mensen geen relatie met Hem hebben, waarmee wordt aangetoond dat zij geen christenen zijn. Omdat zij de Here niet kennen kan Hij niet zeggen ‘onze Vader’ of ‘uw Vader’ zoals Hij dat wel deed bij een andere gelegenheid toen Hij sprak tot degenen die Hem kenden (Joh. 20:17).

    ‘Gezegenden’ - Deze zegen is een aardse zegen (‘beërft het Koninkrijk’). De Gemeente echter ontvangt hemelse zegeningen. In het toekomstige Koninkrijk der hemelen zullen er drie ‘sferen’ zijn: (a) de sfeer van aardse zegeningen die God aan Adam gaf toen Hij hem heerschappij gaf over alle dingen, en een aarde die zijn vrucht in overvloed gaf. Deze zegeningen die er in het Duizendjarig Rijk zullen zijn verdwenen toen de mens viel. Daarom zegt de Here ‘van de grondlegging der wereld af’ (v.34). Vandaag de dag zijn wij bang voor de wilde dieren omdat zij ons schade kunnen toebrengen, maar op die dag is die angst niet meer nodig. (b) Het Koninkrijk der Joden. Hoewel dit begrenst is tot het land Kanaän of Palestina zal de invloedssfeer zeer ver reiken. Zie Genesis 17: ‘En Ik zal haar zegenen, en ook zal Ik u uit haar een zoon schenken, ja, Ik zal haar zegenen, zodat zij tot volken worden zal; koningen van volken zullen uit haar voortkomen’ (v.16); Jesaja 60: ‘Want het volk en het koninkrijk, die u niet willen dienen, zullen te gronde gaan, en die volken zullen zeker verwoest worden’ (v.12); en Deuteronomium 15: ‘Wanneer de Here, uw God, u zegent, zoals Hij u beloofd heeft, dan zult gij aan vele volken lenen, maar zelf zult gij niet ter leen ontvangen; gij zult over vele volken heersen, maar over u zullen zij niet heersen’ (v.6). (c) De geestelijke sfeer van het koninkrijk. Zie I Korinthiërs 15: ‘Dit spreek ik evenwel uit, broeders: vlees en bloed kunnen het Koninkrijk Gods niet beërven en het vergankelijke beërft de onvergankelijkheid niet. Zie, ik deel u een geheimenis mede. Allen zullen wij niet ontslapen, maar allen zullen wij veranderd worden, in een ondeelbaar ogenblik, bij de laatste bazuin, want de bazuin zal klinken en de doden zullen onvergankelijk opgewekt worden en wij zullen veranderd worden’ (v.50-52); en Romeinen 8: ‘Zijn wij nu kinderen, dan zijn wij ook erfgenamen: erfgenamen van God, en medeërfgenamen van Christus’ (v.17). Het Koninkrijk van Mattheüs 24:34 verwijst naar die sfeer in het Koninkrijk waar noch adder noch leeuw iemand kwaad zal doen, het Koninkrijk waarin de eerste groep mensen in de gelijkenis (de schapen) geplaatst wordt.

 

    v.35-36 Hier zien wij het verschil tussen de schapen en de bokken: Waarom konden de schapen het Koninkrijk beërven? Omdat zij voedsel uitdeelden, kleding verstrekten, gastvrijheid bewezen, en de zieken en gevangenen bezochten. Gelovigen zullen voor de rechterstoel van Christus worden beoordeeld op hun trouw; de Joden zullen worden geoordeeld op het al of niet aanbidden van het beest; en de volkeren zullen helemaal aan het einde worden geoordeeld voor de grote witte troon aan de hand van het boek des levens en de boeken. Maar de volkeren hier in deze gelijkenis worden anders geoordeeld dan de volkeren die aan het einde van het bestaan van de oude hemel en de oude aarde geoordeeld zullen worden. Omdat de mensen in deze gelijkenis nog leven als de Here verschijnt op aarde, zullen zij worden geoordeeld naar hun werken, ofwel, naar hoe zij de minste van de broeders des heren hebben behandeld (v.40). Wie zijn de minste broeders? Onze Here heeft drie soorten broeders: (1) de Joden, Hij en de Joden behoren tot hetzelfde geslacht (Hand. 7:23-26, Rom. 9:2, en Deut. 17:15); (2) Zijn eigen broeders naar het vlees (zie Matt. 12:46-48 en 13:55); en (3) de gelovigen (Matt. 12:48-50). De minste broeders van de Here in Mattheüs 25:40 verwijzen niet naar de eerste en tweede soort broeders (de Joden), omdat de Here in Mattheüs 12 deze relaties al verbroken had.* Dit zijn dus de gelovigen die door de Grote Verdrukking* moeten gaan. Omdat gelovigen één zijn met de Here (I Kor. 6:17) wordt alles wat hen aangedaan wordt ook de Here aangedaan.

    De overwinnaars zijn opgenomen maar de meerderheid van de gelovigen wordt achtergelaten en gaat door de Grote Verdrukking. Zij zullen lijden en vervolgd worden. De schapen in deze gelijkenis zullen het goede nieuws van het eeuwig evangelie gehoord hebben dat door een engel verkondigd wordt die de mensen vermaand en waarschuwt met de volgende woorden: ‘Vreest God en geeft Hem eer, want de ure van zijn oordeel is gekomen, en aanbidt Hem, die de hemel en de aarde en de zee en de waterbronnen gemaakt heeft’ (Openb. 14:6-7). Dat zullen degenen zijn die niet samen met de massa de christenen vervolgen, en zij zullen ook de afgoden niet aanbidden. Deze schapen zijn degenen die God zullen vrezen en de gelovigen goed behandelen. Het zal niet makkelijk zijn om deze daden gedurende de Grote Verdrukking te verrichten. Omdat het oordeel gebaseerd is op de daden die in het vlees zijn verricht kunnen deze mensen geen christenen zijn. Merk op dat de rechtvaardigen in deze gelijkenis verbaasd zijn over wat de Here zegt, en de Here vindt het niet vreemd dat zij verbaasd zijn, omdat Hij weet dat zij deze dingen niet gedaan hebben voor de Here: zij zijn geen christenen.

 

* In zijn boek Come, Lord Jesus (Kom, Here Jezus) zegt Br. Nee dat de minste broeder naar de Joden verwijst òf de christenen die op aarde achterblijven. Het is dus een interpretatie waarover te discussiëren valt.

 

    v.41-45 Het derde deel gaat over het onderhoud met de bokken. De slechte mensen worden vervloekt omdat zij de christenen niet goed hebben behandeld gedurende de Grote Verdrukking.

 

    v.46 Dit is het vierde en laatste deel: de gevolgen. De slechte mensen zullen naar de eeuwige straf gaan terwijl de rechtvaardigen naar het eeuwige leven zullen gaan. Merk op dat de rechtvaardigen ‘in’ (Telos) het eeuwige leven ingaan, zij ‘hebben’ geen eeuwig leven. Gelovigen gaan binnen met leven, maar de rechtvaardigen gaan in het eeuwige leven in. De gelovigen beërven het Koninkrijk omdat zij door de Vader gekozen zijn voor de grondlegging der wereld, terwijl de rechtvaardigen ingaan in het Koninkrijk dat God aan Adam beloofd had vanaf de grondlegging der wereld. De rechtvaardigen krijgen de positie terug die Adam had voor de zondeval. Het Oude Testament spreekt ervan hoe de rechtvaardigen de aarde zullen beërven (Ps. 37:10-11, 22, 26-29, 34; en Gen. 27:28). Wat zeer vertroostend werkt is dat ook al moeten sommige gelovigen door de Grote Verdrukking heengaan, er toch nog door de Here aan hen wordt gedacht doordat Hij een engel zendt die het goede nieuws verkondigd.

    De lessen die wij hieruit leren kunnen zijn: (1) Wees vriendelijk en goed jegens broeders die lijden en moeilijkheden hebben. Wees niet als de vrienden van Job, maar help degenen die lijden. En (2) De Here is één met de gelovigen. Ook als zij in de gevangenis zitten is de Here bij hen.