De Grote Eindtijdprofetie van Jezus in Mattheüs 24 en 25 - Deel III


De Gelijkenis van de Talenten (25:14-30)  


Door Watchman Nee


Uit: The King and the Kingdom of Heaven       


 

    Deze gelijkenis is in vier delen onderverdeeld: (a) de heer vertrouwt zijn slaven zijn bezit toe (v.14-15); (b) de manier waarop de slaven met de talenten omgaan (v.16-18); (c) de beoordeling van de eerste en de tweede slaaf (v.19-23); en (d) het oordeel over de derde slaaf (v.24-30).

    Om deze gelijkenis goed te kunnen bestuderen moeten wij eerst het verschil kennen tussen onze verzoening met God de Vader en onze relatie met de Here Jezus. Anders zullen wij de Schriften niet goed kunnen verstaan maar in plaats daarvan problemen en tegenstrijdigheden tegenkomen in dit gedeelte en vele andere Schriftgedeelten. Wij moeten zien dat wij in de ogen van de Vader kinderen zijn, maar in de ogen van de Here Jezus zijn wij dienstknechten. Wij zijn kinderen van de Vader maar dienstknechten van de Here Jezus. Door geloof worden wij kinderen; door onze werken worden wij dienstknechten. Volgens het principe van genade worden wij kinderen; volgens het principe van verantwoordelijkheid worden wij dienstknechten. Wij worden kinderen door de gezegende Zoon; wij worden dienstknechten door de Heilige Geest.

    Dit gedeelte gaat over de relatie tussen de dienstknechten en de Here, niet over de relatie tussen kinderen en hun Vader. Vanaf Mattheüs 14 wordt de relatie van kinderen en hun hemelse Vader niet langer genoemd (een relatie die tot in eeuwigheid voortduurt); alleen de relatie tussen de dienstknechten en de Here wordt dan nog genoemd (een relatie die slechts voortduurt tot aan het einde van het Duizendjarig Rijk). De relatie die wij met de Vader hebben heeft betrekking op onze redding en de eeuwigheid, terwijl de relatie die wij hebben met de Zoon betrekking heeft overwinnen en het Koninkrijk als beloning. De gelijkenis van de talenten heeft betrekking op loon en niet op de eeuwigheid, omdat het vraagstuk rond onze eeuwige bestemming al is opgelost. Er is een fundamenteel verschil tussen het Oude en het Nieuwe Verbond. Het Oude verbond eist werken alvorens leven kan worden ontvangen, ofwel, men moet eerst dienstknecht worden voor men een zoon kan worden. Het Nieuwe Verbond echter geeft leven vóór de werken, ofwel, men wordt eerst wedergeboren vóór men dienstknecht wordt. En waarom? Omdat God niet wil dat gelovigen Hem met hun vlees dienen.

 

          v.14 ‘Want het is als een mens, die bij zijn vertrek naar het buitenland ...’ - Deze man is de Here. Hij gaat waarlijk naar een ander land, want Zijn land is niet van deze wereld en is volkomen anders dan alle landen op aarde. Wij zijn burgers van dat land (Filippenzen 3:20). De zin ‘naar het buitenland’ verwijst naar de hemelvaart van de Here (Hebr. 9:11, I Petr. 3:20).

    ‘Zijn slaven riep’ - Dit zijn Zijn slaven; het zijn dus geen Joden, want die zijn Zijn slaven niet, en het zijn ook geen verlorenen, maar het zijn zij die gekocht zijn door Hem met een prijs. Abraham besneed de slaven die hij kocht alsook zijn eigen zonen, vanwege het verbond dat God met hem sloot. Onze positie is die van slaaf (gekocht met Zijn bloed) en kind (wederomgeboren zijn). De Here wil dat wij Hem dienen als slaven. In de Gemeente van vandaag zijn er twee scholen die extreme dingen leren: de ene legt de nadruk op werken maar niet op geloof, terwijl de andere de nadruk legt op geloof een geen aandacht schenkt aan werken.

    ‘En hun zijn bezit toevertrouwde’ - De Here vertrouwde hun Zijn bezit toe omdat Hij naar een ander land ging. Dit zal voor de slaven een test zijn, want zij mogen dan trouw zijn als de Here bij hen is, maar echte trouw openbaart zich pas als de Here weg is. De Here wil dat zij Zijn bezit beheren. Dat geldt ook voor ons vandaag. De Here heeft ons Zijn bezit toevertrouwd en wij dienen vandaag Hem die wij niet zien. Deze gelijkenis verschilt van die in Lucas, want in Lucas zien wij dat de Here er aan toevoegt: ‘Drijft handel, totdat ik terug kom.’

    Hier in Mattheüs’ verslag zegt de Here niet tegen de discipelen wat zij met Zijn goederen moeten doen. Hij wil dat wij Zijn wil zoeken en die uitvoeren. Een ieder die de wil van de Here kent en die doet kan beloond worden. Het niet vertellen wat zij met Zijn goederen moeten doen is een grote test.

 

          v.15 ‘Een ieder naar zijn bekwaamheid’ - Wat bedoelt de Here met het woord ‘talenten?’ De meeste mensen zullen zeggen dat de ‘talenten’ bezit vertegenwoordigen, of een goede positie, of invloed, tijd, leven, je karakter, een goed verstand, een goede gezondheid, een positie in de plaatselijke gemeente, enz. Maar wij houden hoog dat hier de talenten zelf gaven zijn en geen bekwaamheden. De talenten zijn gaven van de Geest die naar ieders bekwaamheid (de natuurlijke mogelijkheden die hij heeft om optimaal gebruik te kunnen maken van de gave) gegeven worden. Want (1) een talent is iets wat christenen hebben maar de heidenen niet, omdat de Here ze aan Zijn eigen slaven geeft en niet aan de slaven van een ander; (2) een talent wordt gegeven naar iemands bekwaamheid; het wordt niet zomaar aan iemand gegeven; (3) een talent kan groeien door erbij te verdienen; (4) het kan worden afgenomen; en (5) het is niet iets wat God de Vader gewoonlijk geeft aan mensen; veeleer is het iets dat de Here Jezus geeft na Zijn hemelvaart. Op grond van deze vijf punten concluderen wij dat een ‘talent’ niet kan verwijzen naar bezit, positie, en de andere dingen waarnaar zo dikwijls wordt verwezen. Een talent is daarom een gave van de Heilige Geest. Want de gave van de Heilige Geest (1) is iets wat alleen de Here bezit (Hand. 2:38); (2) kan uitgedeeld worden (Hand. 19:6); (3) kan vermeerderd worden (I kor. 14:12-13)); (4) wordt gegeven naar ieders bekwaamheid, zoals Petrus die, van beroep een visser zijnde, de gave van het vissen van mensen ontvangt, terwijl Johannes die de netten aan repareren was toen hij geroepen werd, de gave kreeg van het herstellen van de in verval geraakte Gemeente; (5) werd gegeven op de Pinksterdag nadat de Here ten hemel gevaren was (Joh. 7:39, 16:7); en (6) is iets wat men naast zich neer kan leggen om niet te gebruiken - en daarom vermaand Paulus Timotheüs met deze woorden: ‘Om die reden herinner ik u eraan, de gave Gods aan te wakkeren, die door mijn handoplegging in u is’ (II Tim. 1:6). Zonder twijfel spreekt ‘talent’ dus van de gave van de Heilige Geest.

    ‘En de een gaf hij vijf talenten, een ander twee, een derde één’ - De Here noemt slechts drie slaven, maar het getal drie kan alle gelovigen vertegenwoordigen, zoals het getal zeven van de zeven gemeenten van Openbaring 2 en 3 alle gemeenten kan vertegenwoordigen. Het getal drie staat ook voor drie soorten slaven; anders zou de Here maar drie slaven hebben. Bedenk dat dit een gelijkenis is; daarom kan hij niet letterlijk geïnterpreteerd worden. Alle slaven (of gelovigen) hebben de gave van de Heilige Geest. Een ieder van hen heeft tenminste één gave; niemand kan zich verontschuldigen door te zeggen dat hij geen gave heeft. Denk niet dat u geen gave hebt. U bent geen kind van God als u er geen hebt. Omdat u de gave van de Heilige Geest hebt zal de Here op een dag een afrekening met u houden.

    ‘Een ieder naar zijn bekwaamheid’ - De Here geeft een ieder gaven naar zijn bekwaamheid. Vandaag de dag slaan de mensen bekwaamheid te hoog aan, maar het kan de ‘talenten’ niet vervangen: want bekwaamheid zonder kapitaal (talenten) brengt niets tot stand. Maar we kunnen bekwaamheid ook niet verachten, want het zorgt ervoor dat met de talenten winst wordt gemaakt: bekwaamheid is de manager van het kapitaal. Maar wij kunnen ook niet de Here dicteren welke talenten Hij ons moet geven op grond van onze bekwaamheden; het geven van de talenten is iets dat aan de Here moet worden overgelaten. Er is dus geen grond voor trots of tevredenheid als men vijf of twee talenten krijgt; en er is ook geen reden om zich te schamen of om jaloers te zijn voor degene die slechts één talent krijgt. Hoezeer achten gelovigen in de Gemeente van vandaag de dag het meerdere hoog en verachten zij het weinige! Dit is de activiteit van het vlees. Houd in gedachten dat de gaven die God ons geeft gegeven worden om er mee te handelen. Laten wij allen handelen naargelang de hoeveelheid gaven die God aan een ieder van ons gegeven heeft. Dit zal een einde maken aan veel wedijver en verwarring in de Gemeente: want bekwaamheden verschillen en gaven ook. Merk op dat de Here zelf Zijn goederen aan de slaven geeft. Hij vraagt niet iemand anders ze te verdelen. Om die reden kan een gemeente geen pastor of dominee aanstellen, en een seminarie kan ook geen gaven uitdelen. Wat voor gave men ook heeft, hij is gegeven door God, niet door mensen. Merk ook op dat de beloning niet gegeven wordt naargelang de hoeveelheid gaven die men heeft. De persoon met de vijf talenten krijgt dezelfde beloning als de persoon met de twee talenten. En als de persoon die één talent had er één had bij verdiend dan had hij dezelfde beloning gekregen als de anderen.

    ‘En hij reisde buitensland’ - Dit spreekt van de hemelvaart van de Here.

 

          v.16-18 Deze verzen behandelen het tweede deel van de gelijkenis - de manier waarop de slaven met hun talenten omgaan. De slaven gaan heen en drijven handel met hun talenten omdat zij weten dat dit de wil van de Here is. Zij weten dat hun Here niet wil dat de talenten werkloos blijven liggen maar dat zij toenemen. Zij denken net zoals hun Here. Daarom zullen zij in de toekomst delen in de vreugde van de Here. Nu is handel drijven zeker niet makkelijk: het kost moeite, zorgen, risico, en hard werk. Waar deze gelijkenis echter de aandacht op vestigt is de derde slaaf. Er worden meer verzen aan hem gewijd dan aan de anderen.       Wie slechts één talent heeft wordt het meest aan verleiding blootgesteld. Hij krijgt de neiging zijn gave onder te laten sneeuwen en lui te worden. Hij schaamt zich omdat hij maar zo weinig heeft gekregen; hij weet ook hoe weinig hij er maar mee kan verdienen. Daarom begraaft hij zijn gave in de grond. Mensen zeggen vaak dat het beter is om niets te hebben dan weinig, maar de Here zegt dat het beter is om weinig te hebben dan niets. U moet begrijpen dat het hier niet gaat om hoeveel talenten men krijgt, maar om hoe men met de ontvangen talenten omgaat. Wie vijf talenten ontvangt heeft de verantwoordelijkheid voor die vijf talenten, en wie twee talenten krijgt is voor die twee talenten evengoed verantwoordelijk. Hoe ontevreden zijn gelovigen vandaag met de gave van God. Als iemand voordat hij God begint te dienen, ernaar uitziet om een gave van God te ontvangen die deze of gene broeder of zuster ook heeft, dan ziet hij daar tevergeefs naar uit, want God zal hem het niet geven. Deze gelijkenis legt dus de nadruk op degene die één talent heeft ontvangen. Hoewel hij geen ontroerende preek kan houden of enkele honderden mensen in één keer kan redden, hoewel hij zulke spectaculaire werken niet kan doen, kan hij toch nog wàt voor de Here doen. Graven in de aarde en het talent begraven toont het gebrek aan moed om iets te doen. Moge het zo zijn dat wij bereid zijn een weinig werk te verzetten als God een kleine gave wil geven. Merk op dat hij het talent niet in een kist op zolder legt maar het in de aarde begraaft. De aarde kan een gave van God makkelijk in zich opnemen. Intimiteit met de wereld zorgt ervoor dat het talent snel in de aarde begraven wordt zodat men geen toegang meer heeft tot de gave van God. Hoe kan een gelovige bijvoorbeeld opstaan en tegen de mensen van de waarheid getuigen als hij net de één of andere ruwe mop verteld heeft of enkele onreine woorden heeft uitgesproken? Hij is zijn getuigenis kwijt. Om die reden moeten wij onze positie goed vast blijven houden, blijven staan waar we staan, en de gave gebruiken die wij ontvangen hebben. Wees niet intiem met de wereld opdat uw gave niet begraven wordt. Bedenk altijd dat het vlees ervoor zorgt dat u de gave van God veracht, en dat de wereld ervoor zorgt dat u het getuigenis van God verliest.

    ‘Handel drijven’ betekent rond (laten) gaan of actief bezig zijn. Moge God ons kanalen voor Zijn zegeningen maken. Als wij vandaag niet leren onze gaven uit te oefenen hoe kunnen wij dan een positief verslag geven bij de afrekening in de toekomst? Als wij het vandaag niet leren dan zullen wij hoogstwaarschijnlijk ook geen gaven kunnen aanwenden in het komende Koninkrijk. Een vergelijking van de gelijkenis van de talenten met die van de maagden zegt ons dat de eerstgenoemde de nadruk legt op het gebruik maken van de gaven van de Heilige Geest, terwijl laatstgenoemde de nadruk legt op de noodzaak van het vervuld zijn met de Heilige Geest. Een talent is voor de Here, maar de olie is voor onszelf. Allen die begiftigd zijn met gaven van God worden door Hem gebruikt voor de opbouw van Zijn Gemeente, en niet om zichzelf op te bouwen. God geeft nooit een gave die alleen voor onze eigen opbouw is. (Hoewel het spreken in tongen een persoon opbouwt is deze gave ook voor de gemeente bedoeld.) Als een persoon dus zijn gave in de aarde begraaft dan lijdt de Here verlies. Olie is voor leven zoals talenten voor het dienen zijn. Als men olie heeft - ofwel, als men vervuld is met de Heilige Geest - dan is men in staat de gaven met wijsheid te gebruiken. Bekwaamheid alléén is nutteloos, want er kan niets tot stand worden gebracht als er geen kapitaal is, geen talent, geen gave. Hoezeer hebben gelovigen de gave van de Heilige Geest nodig! Gaven moeten worden vervolmaakt met de volheid van de Heilige Geest. Een talent of een gave zonder olie is erg gevaarlijk. En daarom staat de gelijkenis van de maagden voor de gelijkenis van de talenten. De gemeente te Korinthe was vol verwarring omdat de gelovigen daar wel veel gaven hadden maar zeer weinig olie. Olie kan desalniettemin resulteren in een goed leven zonder goede werken, evenals een talent of gave zonder olie goede werken oplevert maar geen goed leven.

    De gelijkenis van de maagden handelt over de opname, maar de gelijkenis van de talenten handelt over de oordeelstroon van Christus en Zijn Koninkrijk. De voorwaarde voor de opname van de maagden is het vervuld zijn met de Heilige Geest - ofwel, leven naar de Heilige Geest. De voorwaarde voor de slaven om in te gaan in de vreugde van het Koninkrijk is handel drijven met de talenten - hetgeen betekent de Here trouw dienen. Deze twee zijn sterk met elkaar verbonden.

    In feite is het werk dat wij vandaag doen er niet voor bedoeld om het probleem van de beloning in het Koninkrijk op te lossen. Onze werken van vandaag kunnen worden vergeleken met ‘kleuterschool-werken;’ maar in de toekomst zullen onze werken zeer toenemen in zowel hoeveelheid als kracht en inhoud. Maar wat wij vandaag leren zullen wij in de toekomst kunnen gebruiken. Wij moeten opmerken dat de Here in deze gelijkenis zijn slaven geen opdracht gaf om te handelen; desalniettemin kennen de goede en wijze slaven de gedachten van hun Here. Hetzelfde geldt voor de goede en trouwe dienstknechten van de Here Jezus. Hoe triest is het dat velen van ons vaak afwachten totdat de mensen ons vragen, of zelfs ons aanwijzen, voordat wij onze gaven gaan gebruiken. En anders begraven wij onze talenten liever dan dat wij ze gebruiken.

 

          v.19-23 Het derde deel van de gelijkenis gaat over het oordeel over de eerste en de tweede slaaf.

    ‘En na lange tijd ...’ - De testperiode moet lang zijn. Deze periode duurt al zo lang de Gemeente bestaat (bijna 2000 jaar). Het is erg makkelijk om tijdens zulk een lange periode de opdracht van de Here te vergeten. In het begin zijn wij erg ijverig, maar naarmate de tijd verstrijkt worden wij steeds kouder - en zo verliezen wij onze eerste liefde. Pas na een lange tijdspanne komt het oordeel.

    ‘... kwam de heer van die slaven en hield afrekening met hen’ - De wederkomst van onze Here is een vaststaand feit. Mensen kunnen zeggen dat de Here uitblijft, maar zij kunnen niet spotten en zeggen dat Hij niet komt. Zelfs de slechte slaaf kan slechts zeggen dat de Here uitblijft (Matt. 24:48)

    ‘Afrekening’ - Het falen van de Gemeente van vandaag de dag wordt openbaar in haar onwetendheid aangaande het feit dat de Here afrekening zal houden met de Zijnen. Op een dag zal de Here aangaande alles wat wij doen of niet doen vanaf de tijd dat wij in Hem geloven afrekening houden met ons. Afrekening houden heeft hier niets te maken met behoud. Onze wandel (zie I Kor. 3:10-15), de woorden die wij uitgesproken hebben, en zelfs onze gedachten zullen allemaal openbaar worden gemaakt voor de oordeelstroon. Anders dan voor de grote witte troon, waar geoordeeld wordt naar wat in de boeken staat, zullen wij voor de oordeelstroon van Christus zelf rekenschap moeten geven van onze handel en wandel (zie Rom. 14:12). Als onze fouten onder het bloed zijn, dan zijn zij al geoordeeld en zullen zij niet weer openbaar gemaakt worden. Maar als er geen berouw over deze fouten geweest is en zij niet onder het bloed gebracht zijn, dan zal er een afrekening moeten worden gehouden. Laten wij daarom leren onszelf te oordelen. Wij zullen ons moeten verantwoorden voor alles wat niet door het bloed van Christus geoordeeld is. God zal alles aanklagen wat niet onder het bloed is. De genade en liefde van God worden openbaar in het bloed van het lam, maar aan de andere kant worden Zijn gerechtigheid en heiligheid openbaar voor de oordeelstroon van Christus. Hij zal onze onheiligheid niet door de vingers zien.

    Voor de oordeelstroon van Christus zal niet alleen dat wat gedaan is worden geoordeeld, nee, ook dat wat niet is gedaan zal geoordeeld worden. Dat wat blindelings gedaan werd zal geoordeeld worden, en dat wat niet gedaan werd door het uitdoven van de Heilige Geest zal ook worden geoordeeld. Let op het woord ‘kwam’ in vers 19 en de woorden ‘trad toe’ in vers 20. De Here komt, maar de slaven ook. Zij ontmoeten elkaar in de lucht (I Thess. 4:17). Het ‘kwam’ in vers 19 verwijst naar het komen van de Here naar de lucht, en het ‘trad toe’ (of: ‘kwam bij hem’ - Telos) in vers 20 spreekt van de opname van de gelovigen naar de lucht.

    ‘En hij die de vijf talenten had ontvangen, kwam bij hem en bracht vijf andere talenten’ (vers 20 - Telos) - De andere vijf talenten zijn extra talenten die er bij zijn verdiend. Op die dag zullen sommige mensen de waarde beseffen van het erbij verdienen van vijf extra talenten, en anderen zullen zich zorgen beginnen te maken over het feit dat zij geen vijf talenten erbij hebben verdiend. Of een persoon al dan niet een beloning ontvangt wordt niet beslist voor de oordeelstroon; dat wordt veeleer vandaag beslist. De sleutel tot deze zaak is hoe men vandaag met de door God gegeven gave omgaat. Daarom moeten gelovigen de gave van de Heilige Geest niet verachten, of deze gave nu groot of klein is. Het verdienen van de extra talenten vindt niet plaats voor de oordeelstroon, maar vindt nu plaats, op aarde. Als wij vandaag het woord van de Heilige Geest horen laten wij dan niet onze harten verharden. Zowel de vijf ontvangen als de vijf verdiende talenten worden aan de Here gegeven, waarmee wordt aangetoond dat de werken niet voor onszelf maar voor de Here zijn. Met het in het geheim van de Here stelen laat men zien dat men een slechts slaaf is.  Wij moeten in plaats daarvan alle eer aan God geven.

    ‘Wèl gedaan, goede en getrouwe slaaf’ - Als wij alleen vers 20 zouden lezen dan zouden we denken dat de beloning afhankelijk is van onze verdiensten; maar vers 21 laat duidelijk zien dat de beloning gegeven wordt omdat de slaaf goed en getrouw is geweest. De slaaf met de vijf talenten, de twee talenten, en het ene talent kunnen allemaal goed en getrouw zijn.

    ‘Goed en getrouw’ - Geen goede christenen maar goede en getrouwe slaven. De vijf erbij verdiende talenten tonen niet het succes van de slaaf aan maar zijn goedheid en trouw. Van de buitenkant bezien leek Stephanus misschien een mislukking, maar in geestelijke werkelijkheid had hij een goed en getrouw werk verricht. Dus als men iemand een kop water geeft om Christus’ wil (dat is getrouwheid), dan zal dat beloond worden. Trouw zijn houd in dat wij het voor de Here doen. Voor wie werken wij eigenlijk? Vaak zoeken wij succes, niet beseffende dat als het succes niet voor de Here is het niets anders is dan hout, hooi, en stro. De Here zoekt onze trouw.

    ‘Wèl gedaan’ - Dit is de goedkeuring van de Here. Wij zoeken alleen naar de goedkeuring van de Here. De reden voor het geduldig volharden van de heiligen is het horen van het ‘wèl gedaan’ uit de mond van de Here. De lof van de wereld heeft geen enkele waarde omdat het niet erg accuraat is, want zij kan niet onderscheiden wat er in ons goed of slecht is.

    ‘Over weinig zijt gij getrouw geweest’ - Het ‘weinig’ verwijst naar de werken die vandaag gedaan worden. Zelfs de werken die met de vijf talenten gedaan worden zijn weinig als ze worden vergeleken met de werken die in het Duizendjarig Rijk worden gedaan.

    ‘Over veel zal ik u stellen’ - Het ‘veel’ verwijst naar de dingen die gedaan zullen/moeten worden in het Koninkrijk. Hoe vaak vergissen wij ons niet door te denken dat de werken van vandaag zeer groot zijn. De Gemeente is als een school waarin wij aan het leren zijn. Als wij geslaagd zijn worden wij in het Koninkrijk gebracht om in de praktijk te brengen wat wij geleerd hebben. Dit is de manier waarop wij de krachten van de toekomende eeuw mogen smaken (Hebr. 6:5).

    ‘Ga in tot het feest (de vreugde - Telos) van uw heer’ - Zie ook Hebreeën 12 waar staat: ‘Laat ons oog daarbij (alleen) gericht zijn op Jezus, de leidsman en voleinder des geloofs, die, om de vreugde welke vóór Hem lag, het kruis op Zich genomen heeft, de schande niet achtende, en gezeten is ter rechterzijde van de troon Gods’ (v.2). Waarom wordt het woord ‘feest’ gebruikt en niet het woord ‘Koninkrijk?’ Omdat het loon van trouw innerlijke bevrediging is en niet een uiterlijke positie. De grootste beloning is het zich kunnen verheugen met de Here. Dat gaat alle koninkrijken, alle glorie, en elke positie te boven. Want wij zijn tevreden met de Here zelf.

    ‘Stellen over’ - Dat is een zaak van gezag. Vandaag is het de tijd om trouw te zijn; de toekomst is de tijd waarin wij heersen zullen. Wie vandaag buitengewoon graag wil heersen moet de slechte slaaf zijn uit Mattheüs 24. God kan geen gezag geven aan mensen die graag willen heersen; Hij geeft alleen gezag aan de gehoorzamen.

    Jazeker, wij zullen heersen in het Koninkrijk. Aan de ene kant zullen wij ons verheugen en aan de andere kant zullen wij heersen. De Here zal vreugde geven om het lijden op aarde te compenseren, en Hij zal gezag geven om het verlies dat wij in de wereld hebben geleden te compenseren. Allen die trouw zijn moeten bereid zijn verlies te lijden. Wij kunnen niet de rijke man in dit leven zijn en daarna Lazarus in het dodenrijk.

 

          v.22-23 De woorden die gesproken worden tegen de slaaf met de twee talenten zijn precies dezelfde woorden als de woorden die tegen de slaaf met de vijf talenten worden gesproken. Waarom worden zij herhaald? Om te laten zien dat de Here niet kijkt naar succes of hoeveelheid maar naar trouw. Van de vijf talenten verwacht Hij er vijf meer, en van de twee talenten verwacht Hij er twee meer. Het aantal gaven heeft niets te maken met de beloning. Waar het werkelijk om gaat is trouwe dienst. Handel drijven met de gaven zal nooit verlies opleveren. De Here houdt ons verantwoordelijk voor onze trouw. Bewonder de wonderbare gave van die ander niet, en veracht de kleine gave niet die uzelf hebt. Het geven van een gave - groot of klein - is het recht van de Gever, de Here zelf. Aan wie veel gegeven is, van die wordt ook veel gevraagd. Aan wie weinig gegeven is, van die wordt ook minder gevraagd. De Here beloond de slaaf met de vijf talenten niet omdat hij er vijf bij verdiend heeft, maar omdat hij trouw is geweest. Volgens de berekeningen van de wereld is het verschil tussen het totale aantal talenten van de eerste en de tweede slaaf zes talenten. Maar volgens de geestelijke rekenkunde zijn vijf plus vijf en twee plus twee evenveel. Elke gelovige mag een beloning ontvangen. Hoewel onze gaven niet met die van Paulus kunnen worden vergeleken, kunnen wij toch dezelfde beloning ontvangen omdat de gelegenheid om trouw onze dienst te verrichten voor een ieder gelijk is. De slaaf met de twee talenten is een grote troost voor ons. Misschien hebben wij minder gaven, maar onze trouw moet daarom niet minder zijn dan die van anderen.

 

          v.24-30 We zijn nu toegekomen aan het vierde en laatste deel van de gelijkenis van de talenten - het oordeel over de derde slaaf die één talent had.

 

          v.24 Is degene die slechts één talent had gered? Uiteraard. En de redenen die daarvoor aangevoerd kunnen worden zijn de volgende:

    (1) Als hij niet gered is dan betekent dat dat alle geredden beloond zullen worden.

    (2) Als hij niet gered is dan is het net alsof de Here ons daarmee zegt dat hoe een christen ook faalt in zijn leven God hem toch niet zal tuchtigen.

    (3) Deze man is een dienaar van de Here zelf, hij is verlost door Zijn bloed; want de Here zal nooit iemand die niet gered is als Zijn ‘dienstknecht’ uitkiezen - de Heilige Geest gebruikt nooit verkeerde woorden.

    (4) Hoe kan de Here Zijn bezit toevertrouwen aan iemand die niet gered is?

    (5) Nadat hij veroordeeld is noemt de Here hem nog steeds ‘slaaf;’ een ‘onnutte’ slaaf, ja - maar geen onechte of valse slaaf.

    (6) Hij wordt geoordeeld naar zijn werken en niet naar het al of niet geloven in de Here. Als hij niet gered is hoe kan de Here hem dan ooit oordelen naardat zijn werken zijn? Hij zou dan geoordeeld moeten worden vanwege het verachten van het kostbare bloed. Bovendien, als het verdienen van een extra talent ons redt, dan worden wij niet gered door geloof.

    (7) Met wie wordt hij samen geoordeeld? Hij wordt geoordeeld met de geredden die een beloning ontvangen. Worden de verlorenen tegelijk met de geredden geoordeeld? Voor de oordeelstroon van Christus zullen alleen de geredden worden geoordeeld.

    (8) Als de persoon ongered is, kan de Here hem dan verantwoordelijk houden voor ontrouw, voor het geen handel drijven met de gave? Kan de Here bijvoorbeeld ontevreden zijn met de verlorenen omdat zij het evangelie niet prediken? Hij zou veel liever hebben dat hij het evangelie niet verkondigde.

    (9) Als de Here komt dan zullen Zijn dienaren tot Hem komen, hetgeen betekent dat zij zullen worden opgenomen in de lucht alwaar de Here is. Kan een verlorene opgenomen worden?

    (10) De Here heeft geen bevel gegeven om de slaaf bij Hem te brengen; in plaats daarvan gaat hijzelf naar de Here toe omdat hij van de Here is. Een verlorene zal niet voor de Here durven te verschijnen; hij zal veeleer tot de rotsen en de bergen roepen dat zij op hem vallen om zich te kunnen verbergen voor God en voor het Lam. Maar wij moeten opmerken dat deze slaaf het talent dat de Here hem gaf niet kwijtgeraakt is: hij at zijn eigen voedsel en bewaarde het talent zorgvuldig voor de Here. Hij denkt dat hij goed bezig is geweest en niets verkeerd heeft gedaan.

    (11) Deze gelijkenis komt overeen met de gelijkenis in Lucas 19:11-27, waar de slechte slaaf (gered, v.22) en de verlorenen (‘die vijanden van mij’ - v.27) duidelijk van elkaar onderscheiden worden. Desalniettemin zullen sommige mensen zich afvragen waarom de slechte slaaf in de buitenste duisternis geworpen wordt. Is dat niet de hel? vragen zij zich af. Maar als het de hel is, dan moet het de poel des vuurs genoemd worden die pas zal verschijnen het Duizendjarig Rijk. Maar deze gelijkenis spreekt van wat er te gebeuren staat vóór het Duizendjarig Rijk.

 

          v.24-25 Niemand durft deze woorden echt hardop uit te spreken; de Here openbaart alleen wat er in het hart van de mens is. ‘Hard’ betekent strikt. Dat maakt de slaaf bang. Zijn fout ligt in het niet echt kennen van de Here; het niet kennen van Zijn genade. Hij denkt dat de Here te strikt is; en dus leeft hij nog onder ‘de angst van de Sinaï’ (zie Ex. 20:18-21). Leven wij nu niet in de bedeling der Genade in plaats van in die der Wet? Wij hoeven dus niet bang te zijn. De Here is verantwoordelijk voor ons succes; wij zijn slechts verantwoordelijk voor het getrouw zijn.

          v.26 Als onze Here maait waar Hij niet gezaaid heeft, en bijeenbrengt van plaatsen waar Hij niet heeft uitgestrooid (en wij weten dat Hij hééft gezaaid en uitgestrooid), dan zal Hij niets van ons eisen. Voor de oordeelstroon hebben wij geen reden om met Hem te argumenteren. De armetierige verschijning van deze slaaf wordt in deze gelijkenis volledig geweten aan zijn luiheid. D. L. Moody zei eens dat het voor een lui iemand erg moeilijk is om gered te worden. We kunnen op z’n minst zeggen dat geen één lui persoon een beloning zal ontvangen. Laten wij onze gave niet naast ons neer leggen omdat hij zo klein is. Laten wij niet wachten op betere omstandigheden of een betere tijd om te dienen.

 

          v.27 ‘Dan had gij mijn geld aan de bankiers moeten geven’ - Gaven kunnen worden uitgedeeld aan anderen om er handel mee te drijven. Wij moeten in contact treden met één of meer mensen. Wij moeten onze gave nooit begraven waardoor hij niet wordt doorgegeven aan anderen. Hoe klein onze gave ook is, hij moet niet in onbruik geraken. Of wij al dan niet succes hebben is, zoals we al zeiden, niet onze zaak; waarom zouden we onze gave niet gebruiken teneinde één ziel te redden, één leven te helpen, of één persoon te troosten? Hoe triest is het als wij niet één mens tot Christus hebben geleidt.

 

          v.28 ‘Neemt hem dan het talent af en geeft het aan hem, die de tien talenten heeft’ - Deze derde slaaf ontvangt een dubbele straf - er wordt hem iets afgenomen en hij wordt buitengeworpen -, net zoals de trouwe slaven een dubbele beloning kregen - vreugde en gezag. En daar komt nog bij dat het geven van het ene talent aan de slaaf met de tien talenten bewijst dat de Here geen ‘hard mens’ is, want Hij houdt niets voor Zichzelf.

 

          v.29 Dit is een principe: Wie vandaag iets heeft zal zeer veel bezitten in de toekomst. Hij zal verhoogd worden en heersen over vele dingen. In het Koninkrijk zullen de gaven nog veel meer gebruikt worden dan vandaag de dag. Maar wie vandaag niets heeft zal ook niets hebben in de toekomst; want van allen die vandaag de gaven verachten zullen de gaven dan afgenomen worden.

 

          v.30 ‘En werpt de onnutte slaaf uit in de buitenste duisternis’ - Dit is de tweede straf. De buitenste duisternis is een relatieve, en geen absolute term. Om de betekenis van het woord ‘buitenste’ te kunnen verstaan moeten wij eerst weten waar de Here deze woorden zal spreken. Zoals wij al eerder opmerkten zal de Here van de troon in de hemel naar de lucht rond de aarde afdalen, waar ook de heiligen naartoe zullen worden opgenomen. Daar verschijnen zij voor Zijn oordeelstroon alwaar deze woorden gesproken zullen worden. En dus is het ‘buitenste’ waarvan hier gesproken wordt het ‘buitenste’ met betrekking tot de lucht.  De hel wordt nergens in de Schrift, zelfs niet één keer, de buitenste duisternis genoemd. De hel is helemaal niet donker van binnen; de hel heeft immers een element van vuur in zich! Wanneer de Here komt zal Hij Zich omringen met duisternis, maar daar binnen in zal heerlijkheid zijn (Ps. 18:10-13). Het ‘buitenste’ in deze gelijkenis is gerelateerd aan de duisternis die de heerlijkheid van de Here bij Zijn komst omhult.

    ‘Geween’ - Deze term verwijst naar het berouw van de kant van de slaaf over zijn gemiste kans om zijn talent goed te kunnen gebruiken.

    ‘Tandengeknars’ - Zulk een slaaf zal weeklagen over zichzelf om het verlies dat hij nu lijdt; want hij moet een zekere mate van vreugde en gezag missen.

    Drie zaken zijn sterk met elkaar verbonden: het bloed, het kruis, en de oordeelstroon. Hoewel er geen Schriftverzen zijn die deze drie duidelijk met elkaar verbinden, getuigen zowel ons leven als onze ervaringen van de link tussen deze drie. Het kruis van Christus staat in het midden van deze drie. Terwijl de oordeelstroon nog moet komen ligt het bloed en het kruis al achter ons; het is volbracht. Al wat aan het bloed en het kruis ontsnapt (ofwel, elke zonde en elk falen waarmee niet tijdens ons leven is afgerekend middels het bloed en het kruis), zal niet ontsnappen aan de oordeelstroon. Wat in ons leven aan het kruis is ontsnapt moet tenminste onder het bloed zijn gebracht (het moet vergeven zijn). Wanneer een gelovige slechts genade wil ontvangen voor de oordeelstroon dan zal alles eerst door het bloed en het kruis behandeld moeten zijn. Het bloed van christus is voor de wassing en de verlossing; dit is meer objectief voor ons. Het kruis echter, dient om de dood, de zonde, de oude mens, de wereld, en de oude schepping te kruisigen. Dit is voor ons iets subjectiefs. Ons persoonlijke falen heeft effect naar twee kanten toe: God en onszelf. Als wij zondigen, en de gemeenschap met God is verstoord, dan kunnen wij steeds weer opnieuw gereinigd worden door het bloed waardoor de gemeenschap telkens opnieuw wordt hersteld. Het bloed rekent af met zonden terwijl het kruis met de kracht van de zonde afrekent. Door het bloed worden de zonden vergeven, maar het bloed geeft ons niet de garantie dat wij nooit meer zullen zondigen - nee, zelfs niet de garantie dat wij nooit meer dezelfde zonde zullen doen. En daarom moet met het vlees en de wereld (de krachtcentrales van de zonde) worden afgerekend door middel van het kruis. Het bloed vergeeft, maar alleen het kruis kan bevrijden.

    Al ons falen en al onze zonden van ons hele leven die onder het bloed gebracht zijn en waarmee is afgerekend door het kruis zullen niet geoordeeld worden voor de oordeelstroon. Het Griekse woord voor deze oordeelstroon is Bema, niet Thronos. W.E. Vine verklaart het woord Bema in zijn verklaring van Oud en Nieuw-Testamentische woorden als volgt: Het woord Bema betekent platform, een verhoogde plaats. Het is niet de grote witte troon, en ook niet de troon van de Here Jezus op aarde bij de aanvang van de Duizendjarig Rijk. Het is de troon in de lucht. Het is een ‘familievergadering.’ In twee teksten wordt het woord gebruikt voor het Goddelijk tribunaal waar alle gelovigen voor moeten verschijnen. In Rom. 14:10 wordt het de rechterstoel Gods genoemd (de rechterstoel van Christus, AV). Hetzelfde tribunaal wordt in II Kor. 5:10 de rechterstoel van Christus genoemd. Daar worden alle gelovigen openbaar gemaakt. Voor deze troon zal de Here alleen de ijdele woorden oordelen die wij niet verzaakt hebben, alsmede onze ijdele gedachten en werken. Hoe doordringend het licht van de oordeelstroon ook moge zijn, het kan nooit de zonden ontdekken die onder het bloed zijn. Wat moeten wij dan aan met de tong die vaak en graag ijdele woorden spreekt? Wij hebben het kruis daarvoor nodig. En dat gaat ook op voor onze onvruchtbare gedachten en werken. Deze hebben ook het kruis nodig. Laten wij daarom door het geloof het kruis aanvaarden, het voor waar houden in ons hart dat deze oude mens van ons gekruisigd is aan het kruis, en dan kan de oordeelstroon nooit de dingen ontdekken die al weggedaan zijn door het kruis. Na gereinigd te zijn van wat voor falen of zonde ook, moeten wij ons richten op het kruis; anders is daar de mogelijkheid dat wij opnieuw zondigen en zullen wij geoordeeld moeten worden voor de oordeelstroon.