Waarom Jezus Christus God en Mens moet zijn
|
Uit Vraaggesprekken rond het Evangelie, door Watchman Nee:
Stel er zijn drie mensen, A, B en C. C heeft gezondigd, en A vraagt B om te sterven voor C. Door dat te doen is A in staat zijn liefde voor C te tonen, en is C in staat om aan de eis der wet tegmoet te komen, maar dit alles zal nogal onrechtvaardig zijn ten opzichte van B. Ik heb gezondigd en God maakt dat Christus voor mij sterft. Zo wordt de liefde Gods voor mij zichtbaar en ben ik aan de eis der wet tegemoetgekomen. Maar zal dit niet zeer onrechtvaardig zijn ten opzichte van Christus? God is immers rechtvaardig? Alleen wanneer Christus tegelijkertijd mens als God is, kan het echt rechtvaardig zijn. We moeten eerst weten wat vergeving is. Vergeven betekent dat degene die vergeeft verlies lijdt vanwege de zonde van de vergeven dader. Bijvoorbeeld: als iemand u tien euro schuldig is en u vergeeft hem, betekent dat automatisch dat u een verlies van tien euro lijdt. In Gods verlossingsplan is Christus geen ‘derde partij’. Als Hij dat wel was, zou God Christus onrechtvaardig behandelen omdat Christus geen zonde heeft en dus niet aan de dood onderworpen is. De Bijbel zegt ons dat de mens heeft gezondigd en dat God degene is tegen wie gezondigd is. Dus waar we mee te maken hebben hier is de relatie tussen God en de mens alléén. Een derde partij vragen om te sterven als plaatsvervanger mag dan misschien de aan de mens gestelde eis der wet vervullen, en ook aan Gods gerechtigheid tegemoetkomen, maar dit zal zeer onrechtvaardig zijn ten opzichte van de derde partij. Alleen omdat Christus zowel God als mens is, kan deze plaatsvervanging rechtvaardig worden genoemd. ‘Waarmede zal ik de Here tegemoet treden en mij buigen voor God in den hoge? Zal ik Hem tegemoet treden met brandofferen, met éénjarige kalveren? Zal de Here welgevallen hebben aan duizenden rammen, aan tienduizenden oliebeken? Zal ik mijn eerstegeborene geven voor mijn overtreding, de vrucht van mijn schoot voor de zonde mijner ziel?’ (Micha 6:6-7) Hier staat dat als wij tegen God zondigen, het geen zin heeft om kalveren en rammen te offeren. Alle offers zijn zinloos, zelfs als het onze eerstgeborene is. Christus moet daarom God zelf zijn tegen wie gezondigd is. Want alleen zo wordt Hij geen derde partij. Omdat Christus God is, is het verlossingswerk gerechtvaardigd. Je kunt het ook omdraaien: omdat het verlossingswerk rechtvaardig is, moet Christus God zijn, omdat alleen degene tegen wie gezondigd is, degene die tegen hem gezondigd heeft vergeven kan. Wie kan dan ooit zeggen dat vergeving onrechtvaardig is? Omdat Christus God is, en dus degene is tegen wie wij gezondigd hebben, kan Hij ons vergeven. Zie ook deze twee verzen: ‘En het gebod dat ten leven moest leiden, bleek voor mij juist ten dode te zijn’ (Rom. 7:10); ‘Want het loon dat de zonde geeft, is de dood’ (6:23). Deze teksten laten zien dat tenzij iemand alle wetten volmaakt houdt, hij sterven moet. Om ons te laten leven moest de Here Jezus de straf op de zonde dragen, en die straf is de dood. Toch wordt er in 1 Timotheüs 6:16 gezegd dat alleen God onsterfelijkheid bezit, en daarom moet Christus, wil Hij onze plaatsvervanger zijn, tegelijkertijd ook mens zijn. En als mens, in een menselijk lichaam, stierf Hij voor ons. We kunnen dus met zekerheid zeggen dat Hij God is, en dat Hij daarom mensen kan redden.
In Johannes 14:15-17 belooft Jezus een Andere Trooster die komen zou, de Geest der Waarheid. Maar in vers 18 zegt Hij (Jezus): ‘Ik zal u niet als wezen achterlaten. Ik kom tot u.’ Hier verandert Jezus de Hem/Hij van vers 17 in het Ik van vers 18. Hiermee wordt duidelijk gemaakt dat de Heilige Geest als het ware de tweede persoonlijkheid van de Here Jezus is. |