De Kleine Kudde

 


 

Toen Watchman Nee zich in 1928 in Sjanghai vestigde, raakte hij onder andere bevriend met Charles Henry Judd die voor de China Inland Mission werkte. Op dat moment had hij al een sterke minachting ontwikkeld ten opzichte van de verschillende kerkelijke denominaties. In het blad Opwekking schreef hij dat volgens hem de kerk het voornemen van God in de weg stond. Volgens Nee werden vele werken ‘voor de Heer’, ‘in de naam van God’, ‘voor het Koninkrijk’ en ‘voor de Gemeente van Christus’, in de kracht van het vlees gedaan. Christenen zochten niet de wil van God maar volgden hun eigen wil en ideeën in het werk voor de Heer. Hij zocht een antwoord op het geïmporteerde probleem van de denominaties, die slechts verdeeldheid veroorzaakten. Door de ontkiemende kerk in China lastig te vallen met hun eigen sectarische verschillen, zorgden missionarissen alleen maar voor verdeeldheid onder Chinese christenen. Zijn zoektocht naar een antwoord op dit probleem bracht hem ertoe terug te keren naar het - in zijn ogen - eenvoudige nieuwtestamentische christendom, zoals dat gevonden werd in de geschriften van John Nelson Darby en C.A. Coated. Hij begreep dat de Chinese kerken zelfbesturend, zelfonderhoudend en zelfvoortplantend moesten zijn. Dit concept was in de negentiende eeuw door de missionarissen Henry Venn en Rufus Anderson geïntroduceerd, en werd later door de Communistische Partij overgenomen. Wij komen hier zo nog op terug. 

 

In die tijd stichtte Nee de eerste onafhankelijke christelijke kerk aan de Hardoenstraat te Sjanghai. Hij was de hoofdspreker op de eerste conferentie van deze nieuwe beweging, die later de ‘Kleine Kudde’ genoemd zou worden. In 1939 publiceerde hij een liedboek getiteld De Bundel van de Kleine Kudde, en zo kwam de beweging aan haar nieuwe naam. Maar Nee noemde de beweging plaatselijke vergadering van gelovigen in de Naam des Heren, of (plaatsnaam) christelijke samenkomst. In de nieuwe beweging was elke gelovige een onbetaalde. Wanneer gelovigen naar andere dorpen verhuisden werden hun huizen als vanzelf christelijke centra. Elke gemeente was een autonome eenheid die door oudsten geleid werd. Maar Nee stelde ook full-time werkers aan die hij apostelen noemde, en die de opdracht hadden rond te reizen om overal te evangeliseren en gemeenten te stichten. De werken van de ‘apostelen’ werden echter centraal georganiseerd. Zij werden door Nee en zijn medewerkers getraind, geadviseerd en financieel ondersteund. Nee’s concept van de Kleine Kudde was sterk beïnvloed door de geschriften van de Plymouth Broeders. Na de vorming van de Kleine Kudde gingen enkele broeders uit de gesloten Vergadering te Londen, en andere vertegenwoordigers van de Broederbeweging uit Amerika en Australië naar Sjanghai om Nee te ontmoeten. Zij waren onder de indruk van Nee, met name van zijn inzicht in de Schrift. De broeders uit Londen overlegden bij zichzelf of zij Nee’s gemeenten in China deel zouden moeten laten uitmaken van hun missiewerk in China. Maar zelfs voor Nee waren de Londense Broeders te exclusief in hun beleving en praktijk met betrekking tot de christelijke gemeenschap. Dit had tot gevolg dat dat de Londense Broeders in 1935 een einde maakten aan de gemeenschap met de Broeders te Sjanghai. 

 

In de periode 1940-1960 onderging de christelijke kerk in China veel beproevingen en vervolgingen. Veel Chinese christenen werden genoodzaakt de officiële kerken te ontvluchten en zich aan te sluiten bij de kleine niet-officiële huisgemeenten. Veel van deze kleine gemeenten waren gesticht door Watchman Nee vanuit zijn overtuiging ‘één kerk voor één stad of dorp’. Hij geloofde dat de verschillende leerstellingen waardoor verschillende denominaties ontstonden tegen de wil van God was, en hij vond dan ook dat alle gelovigen in een dorp of stad die wedergeboren waren, samen de ene gemeente van die stad vormden. Denominaties noemde hij sekten (scheuringen). In Het Normale Christelijke Gemeenteleven (niet meer verkrijgbaar) omschrijft Watchman Nee hoe de structuur van dergelijke gemeenten moet zijn, en hoe zij moeten functioneren. In het boek Assembling Together (Onze Samenkomsten - deel drie uit de zesdelige basislessenserie) worden veel praktische aspecten van de ‘aanbidding’ tijdens het samenzijn uitgewerkt. 

 

In de periode 1923-1949 waren meer dan 700 ‘vergaderingen’ ontstaan met een ledental van meer dan 70.000. Tijdens de communistische overheersing werden deze ‘vergaderingen’ de kern achter de huisgemeenten. Dat werkte goed omdat Watchman Nee zo sterk de nadruk had gelegd op de lokale bestuurbaarheid van de plaatselijke gemeente. De Drie Zelf Patriottische Beweging van de staat wilde het drie-zelf principe (zelfbesturend, zelfonderhoudend, zelfvoortplantend) opdringen aan de kerk en haar zodoende inlijven en onder de controle van de staat brengen onder het motto: godsdienstvrijheid oké, maar God staat niet boven de staat. Een idee dat christenen verwerpen. De Communistische Partij zag het zelf-doen als het tegenovergestelde van imperialisme. Enkele vrijzinnige protestantse leiders vormden samen met premier Chou en Lai een voorbereidend committee, dat later bekend zou worden als de Anti Amerika, Help Korea, Drie Zelf Hervormende Beweging van de Kerk van Christus in China. De beweging was verantwoording schuldig aan het Bureau van Godsdienstige Zaken dat onder de atheïstische Commissie van Cultuur en Opvoeding te Peking viel. Haar slagzin was: ‘Heb je land lief; heb je kerk lief.’ Waarbij de aanstootgevende naam van God zorgvuldig vermeden werd. Er werd grote druk op de kerken uitgeoefend om zich bij de Drie Zelf Beweging aan te sluiten, maar de Kleine Kudde gemeenten lieten zich niet lieten. Een van de redenen dat zij ondergronds konden overleven, was het feit dat zij al zelfbesturend, zelfonderhoudend, en zelfvoortplantend waren. In sommige kuststeden realiseerden de gelovigen zich dat de omvang van de gemeenten aanleiding tot kritiek kon geven, en dus begonnen zij zich te verspreiden. In de provincie Tsjekiang hadden enkele groepen vrijwillgers afstand gedaan van hun bezittingen en waren weggetrokken naar de onbevolkte steden van Kiangsi. Hier hadden ze landbouwnederzettingen gesticht om het land opnieuw te ontginnen. Ze bouwden zelf hun lemen huisjes en begonnen vanaf de eerste dag als commune te functioneren. Ze leefden in een patroon van strakke routine waarin genoeg ruimte was voor persoonlijke bezinning. Overal was men enthousiast over dit project, vooral toen er enkele communisten tot bekering kwamen. Maar toen begon de beruchte periode van de landhervomingen. Dorpen werden op hun kop gezet door massabijeenkomsten, volkstribunalen en de herverdeling van het land onder de arme boeren en arbeiders. Rijke boeren en landeigenaren werden niet zelden geëxecuteerd. De pas verhuisde christenen ontkwamen ook niet aan de heropvoedings- en beschuldigingssamenkomsten. Ze ontdekten ook dat dat hun motieven opzettelijk in een kwaad daglicht gesteld werden. Zendelingen in Hunan beschrijven hoe ze in die tijd, toen hun eigen gemeente uit elkaar geslagen was en ze zelf op het punt stonden te vertrekken, veel vriendschap ondervonden van een dappere broeder van de Kleine Kudde, die korte tijd daarvoor in dit gebied was komen wonen. Een zendeling uit Tsjekiang schrijft: ‘De invloed van de Kleine Kudde is duidelijk voelbaar in het land. Er wordt weer een sterke nadruk op evangelisatie gelegd. Misschien is deze beweging Gods uitverkoren werktuig in deze moeilijke tijd. Ze kent een hechte onderlinge gemeenschap, maar is niet opdringerig en weet haar organisatie aan te passen aan de omstandigheden.’ Het moet erg frustrerend zijn geweest voor de Communistische Partij om geconfronteerd te worden met een gemeenschap die niet onder haar gezag stond, maar die precies beantwoorde aan de idealen van de Partij. De Partij was immers alleen zaligmakend. En elke andere beweging die haar op elk gebied naar de kroon steeg werd niet getolereerd. Wat dat tot gevolg had is ook vandaag de dag nog duidelijk zichtbaar: onderdrukking van elke religie die zich niet onderwerpt aan de staat.