Dit artikel is auteursrechtelijk beschermd


Wat is Genade?


Vraag 1 uit Vraaggesprekken rond het Evangelie - door Watchman Nee


 

 

   Omdat de Bijbel zegt: ‘Door genade zijt gij behouden (...)’ (Ef. 2:8), moeten wij ons de volgende vragen stellen:

 

Wordt genade:

(a) gegeven aan degenen die het verdienen, oftewel: eist God van de mens  dat hij het goede doet alvorens hij gered kan worden?

 

(b) gegeven om aan te vullen wat ontbreekt, oftewel: verlangt God van de mens dat hij zijn best doet alvorens hij gered kan worden?

 

(c) onthouden vanwege een gebrek aan verdiensten, oftewel: kan God weigeren een persoon te redden omdat hij niet deugt?

 

(d) in mindere mate gegeven aan mensen die het minder verdienen, oftewel: kan God het weigeren om een persoon te redden omdat hij niet zo goed is als andere mensen?

 

Maakt genade: 

(e) de ontvanger ervan tot een schuldenaar, oftewel: zou het woord ‘beloning’ hier ook gebruikt kunnen worden?

 

(f) dat de zondaar direct van zijn zonden wordt vrijgesproken, oftewel: kan God iemand vrijelijk vergeven omdat Hij medelijden met hem heeft?

 

(g) dat de zonde van de gelovige direct wordt vergeven, oftewel: kan God een persoon vrijelijk vergeven vanuit de liefde die Hij voor de gelovige heeft?

 

 

Antwoord:

 

   Wij mensen hebben een groot gebrek, en dat is dat wij de neiging hebben Gods hart te vergelijken met dat van ons. Ons menselijk hart is op de wet ingesteld en niet op genade. We denken altijd dat God een hart heeft dat gelijk is aan dat van ons, en daarom begrijpen we Hem vaak niet. Wij moeten weten wat genade is:

 

   (a) Genade wordt niet gegeven aan wie het verdienen. ‘Nu wordt hem die werkt, het loon niet toegerekend uit genade, maar krachtens verplichting’ (Rom. 4:4). Omgekeerd kunnen we zeggen: het is genade  als aan degene die het niet verdiend toch gegeven wordt. Als men er recht op heeft sluit dat elke gedachte aan genade uit. Genade is wat het is omdat er niet het geringste element van verdienste in zit. ‘Want door genade zijt gij behouden’ (Ef. 2:8). Het redden van mensen die het niet verdienen is genade. ‘En worden om niet gerechtvaardigd uit zijn [Gods] genade’ (Rom. 3:24). Wat betekent ‘om niet?’ Het Griekse woord voor ‘om niet’ staat ook in Johannes 15:25 waar het in ‘zonder reden’ is vertaald. De Here zegt daar: ‘Zij hebben Mij zonder reden gehaat.’ Hij haalt hier een tekst uit het Oude Testament aan. Als er gezegd wordt dat de genade van God mensen om niet rechtvaardigt dan betekent dat eenvoudig dat God zonder enige reden mensen rechtvaardigt.

   De Schrift heeft alles besloten onder de zonde’ en ‘God heeft hen allen onder de ongehoorzaamheid besloten’ (Gal. 3:22; Rom. 11:32). God heeft alle mensen dezelfde plaats toegewezen en daarom kan niemand door werken (goed doen) gered worden, maar moet iedereen door genade gered worden. Als u Paulus zou vragen hoe hij gered werd dan zou hij zeker gezegd hebben dat hij door de genade van God gered werd. Als u alle heiligen dezelfde vraag zou stellen, dan zouden zij allemaal hetzelfde antwoord geven: door genade gered. God redt ons zonder reden; en dat is genade.

 

   (b) Genade wordt niet gegeven als een aanvulling op wat de mens niet heeft. ‘Niet uit werken, opdat niemand roeme’ (Ef. 2:9). Dit betekent niet dat er geen goede werken hoeven te zijn nadat men gered is; het wil alleen maar zeggen dat de mens niet door goede werken gered wordt. Als de mens door werken gered zou worden, dan zou hij zeker iets hebben om in te roemen. Als de mens met tien procent eigen werken gered zou worden, dan zou de mens tien procent hebben om in te kunnen roemen, maar God zou tien procent eer verliezen. God echter, deelt Zijn eer niet met de mens. Hij haat de verwaand­heid en de grootspraak van de mens, want het doel dat Hij voor ogen heeft is dat Hijzelf verheerlijkt wordt. Gods genade is dus geen aanvulling op hetgeen de mens tekort komt.

   Genade wordt niet gegeven aan wie het verdiend, ook niet als een bonus. Het is noch een redelijke beloning, noch een royale vergoeding. De kwestie van ‘verdienste’ of waardigheid heeft niets te maken met genade. Door genade te aan­vaarden verwerpt men dit idee van waardigheid volkomen. De gedachte dat iemand meer of minder waard is om gered te worden is volkomen ongegrond. Wat behoud betreft is niemand in staat om Gods genade door eigen werken te verkrijgen.

   Mensen denken vaak dat als zij hun best doen om goed te doen en de wet te houden, zij daarnaast nog op de genade van God kunnen rekenen om te volbrengen wat zij uit zichzelf niet kunnen doen. Dit is onmiskenbaar gedeeltelijk vertrouwen op werken en genade. Iemand zei eens: ‘Wij moeten de Tien Geboden houden anders kunnen wij niet gered worden.’ Men vroeg hem toen: ‘Hebt u wel eens één van de geboden gebroken?’ ‘Dat heb ik zeker ja’, zei hij. ‘Wat doet u dan?’ Hij zei: ‘Voor wat ik zelf niet kan doen vertrouw ik op de genade van God.’ Deze denkwijze openbaart dat hij niet wist wat genade is.

   De jongeman in Mattheüs 19 vroeg de Here Jezus: ‘Wat voor goed moet ik doen om het eeuwige leven te verwerven?’ En de Here zei tegen hem: ‘Onderhoud de geboden.’ Toen Hij hoorde dat de jongeman dat gedaan had zei de Here tegen hem: ‘Indien gij volmaakt wilt zijn, ga heen, verkoop uw bezit en geef het aan de armen.’ Toen de jonge­man dat hoorde ging hij bedroefd weg, want dat kon hij niet (v.16-22). Ja, als iemand door de wet gered wil worden dan moet hij alles volbrengen wat de wet hem voorschrijft. Hij moet niet alleen God liefhebben met heel zijn hart, heel zijn verstand, en al zijn kracht, maar hij moet ook alles weggeven wat hij bezit. Maar als hij vertrouwt op de genade van God, dan moet hij daar ook volledig op vertrouwen. Het werk wordt nooit gedeeltelijk door de mens en gedeeltelijk door God gedaan, want de genade van God is geen aanvulling op het onvermogen van de mens. Het is een kwestie van òf geheel en alleen de genade van God, òf geheel en alleen de werken van de mens. Het kan niet voor een deel van de mens en voor een deel van God komen. Waarom niet? Omdat de Here Jezus al gestorven is. Omdat God alle zondaren dezelfde plaats toebedeeld heeft kan gezegd worden dat toen de Here Jezus gekruisigd werd, God ‘ons aller ongerechtigheid op hem heeft doen neerkomen’ (Jes. 53:6). Het probleem van de zonde is dus eens voor altijd opgelost. Om die reden kan de mens niet op zijn eigen verdiensten vertrouwen als hij voor God komt te staan; anders wordt het werk van Christus aan de kant geschoven als zou Hij voor niets gestorven zijn.

 

   (c) Genade wordt de mens niet onthouden vanwege een gebrek aan verdiensten. (Dit is bijna hetzelfde als punt a van deze vraag, alleen wordt de kwestie hier van de negatieve kant bekeken.) Integendeel, genade wordt gegeven vanwege de onwaardigheid van de mens. Alleen als de mens zijn eigen hulpeloosheid ziet zal hij roepen om genade. Op dat moment zal God hem dan ook genade geven. Als een mens zelf nog kracht heeft dan denkt hij er niet aan om te bidden om genade. Een gebrek aan verdiensten zal God dus op geen enkele manier verhinderen om genade te geven; integendeel, het is de enige voor­waarde die Hij nodig heeft om genade te geven.

   Een broeder zei het zo: ‘Genade is grenzeloze goedertierenheid en barmhartigheid, geopenbaard en aangeboden in louter goedheid.’ Wat is genade? Genade is dat wat van boven naar beneden komt. Wat is liefde? Liefde ziet de ander als gelijkwaardig. Wat is respect? Respect hebt u voor degenen die boven u staan. Maar genade komt van boven naar beneden. Genade kent alleen eenrichtingsverkeer. Om de genade van God te kunnen verkrijgen moet u erkennen dat u een hulpeloze zondaar bent - dat alleen stelt u in staat om Gods genade te ontvangen.

   Veel mensen houden niet van genade omdat dit om een daad van vernedering vraagt. Genade dwingt u toe te geven dat u de slechtste mens op aarde bent. Want net zoals een omgekeerd kopje geen water op kan vangen, zo kan of wil ook geen enkel trots mens de verlossing van God aanvaarden. Wij moeten toegeven dat wij slecht zijn alvorens wij de genade van God kunnen aanvaarden.

 

   (d) Genade wordt niet in mindere mate gegeven aan mensen die het minder verdienen. (Dit is het tegenovergestelde van waar het tweede punt van deze vraag over spreekt). God ziet het zondeprobleem van de mens niet door de vingers. Hij is juist heel standvastig, duidelijk en grondig wat het afrekenen met de zonde van de mens betreft. Door Zijn Zoon heeft Hij volledig afgerekend met dit probleem. Hoe kan men dan spreken over verdienen of niet verdienen, over meer of minder waardig zijn? De genade van God vraagt zich nooit af of iemand het niet verdient. Voor God zijn alle mensen gelijk; alle mensen mogen Zijn genade ontvangen.

   Omdat God Zijn genade een mens niet zal onthouden vanwege zijn onwaardigheid (Hij geeft om die reden juist genade), kan Hij natuurlijk nooit onderscheid maken tussen de onwaardigen, alsof er een groep is die het meer waard is, en een groep die het minder waard is Zijn genade te ontvangen.

   God zal niet minder genade geven aan degenen die meer zondigen, en meer genade aan wie minder zondigen. Want genade wordt niet door God gebruikt om de gaten in het ‘kleed’ van de zondaar op te vullen. Bij genade worden zowel de zondaar als zijn werken volledig aan de kant gezet.

   Daar genade zonder enige reden gegeven wordt, hoeft de ontvanger ervan aan geen enkele voorwaarde te voldoen. Genade wordt niet onthouden vanwege een gebrek aan verdiensten. Het staat volledig los van de toestand van de ontvanger. Het wordt niet in mindere mate gegeven aan de naar verhouding meer onwaardige mens. Anders zou het geven van genade afhangen van de toestand van de ontvanger. Genade wordt dus niet gegeven aan de hand van de conditie van de persoon zelf, en ook niet aan de hand van zijn positie onder andere mensen. Gods genade is zo groot en grenzeloos dat het voor allerlei soorten zondaars bedoeld is. Zij die zichzelf als redelijk goed zien hebben de genade van God net zo hard nodig als degenen die gezien worden als de grootsten onder de zondaars. Mensen denken misschien bij zichzelf dat de betere mensen wel iets meer verdienen. Maar in Gods ogen zijn alle mensen gelijk. Een voorbeeld: enkele schalen vallen op de grond. Sommige breken misschien in twee stukken uiteen, andere in vijf, en weer andere in duizend kleine stukjes. Hoewel de gebroken toestand van de schalen verschillend is, zijn ze wel allemaal kapot. Het maakt niet uit of u nu een ‘iets betere zondaar’ bent, of de ‘ergste van alle zondaars;’ u bent een zondaar, punt uit. De Bijbel maakt duidelijk dat allen gezondigd hebben. Door de Here Jezus naar de aarde te zenden om voor zondaren te sterven, geeft God alle zondaars de gelegenheid om zich te laten redden. Zelfs als er maar één mens in de hele wereld is die gered moet worden, dan is God nog bereid Zijn Zoon te zenden en Hem te laten sterven voor die ene mens. Zegt de gelijkenis van de herder die het verloren schaap zoekt ons niet dat hij de negenennegentig schapen achter laat en achter dat ene schaap aangaat? (Luc. 15:3-4) Zolang u een verloren schaap bent, ongeacht of u een grote of een kleine zondaar bent, u hebt het nodig dat de Here Jezus voor u sterft.

 

   (e) Genade maakt de ontvanger ervan niet tot een schuldenaar. Wanneer iemand u een bepaalde som geld geeft en u daar tijdelijk van laat genieten, maar wel van u verlangt dat u het later terugbetaald, dan noemen we dat een schuld. Loon wordt u gegeven naar uw werken. Genade wordt noch als loon, noch als tijdelijke lening gegeven die later terugbetaald moet worden. God redt ons door genade; onze redding is geen goddelijke lening. Als het een lening is dan moet die later door ons terugbetaald worden; maar dan kan het geen genade genoemd worden. Genade betekent niet dat, gelet op ons huidige gebrek aan verdiensten, God ons eerst genade leent, maar verlangt dat wij onze redding vasthouden door onze werken er later aan toe te voegen. Want genade eist niets van ons; niet in het verleden, niet in het heden, en ook niet in de toekomst. Als God ons nu iets geeft maar wil dat wij het in de toekomst terugbetalen, dan is dat een schuld en geen genade. Maar de genade van God wordt vrijelijk gegeven aan allen die het niet verdienen, zonder dat wij ooit ook maar iets terug hoeven te geven.

   Veel mensen houden er verkeerde denkbeelden op na: ja, we zijn gered door genade, maar we moeten die redding vervolgens vasthouden in eigen kracht. Dat is een dwaling. De Bijbel zegt nergens dat Gods genade ons tot schuldenaars heeft gemaakt. ‘De genade, die God schenkt, is het eeuwige leven in Christus Jezus, onze Here’ (Rom. 6:23). Wat is de aard van dit eeuwige leven? Het is een gave. Met andere woorden, het is iets dat God geeft als een gave. Moet het terugbetaald worden? We moeten goed begrijpen genade, niet terugbetaald hoeft te worden, omdat het geen schuld is - nu niet, en ook over vele dagen niet. Hiermee zeggen we natuurlijk niet dat een christen het niet nodig heeft goede werken te doen of God trouw te dienen. Nadat men gered is moet men goede werken doen en God trouw dienen. Maar het motief achter deze handelingen is de liefde voor Christus, en de kracht om deze dingen te doen komt van de Heilige Geest. Goede werken en trouwe dienst zijn nodig in ons leven als christen, maar wij doen ze niet om onze redding te verdienen of vast te houden. De werken van een christen worden niet gedaan om de schuld af te lossen van de redding die God gegeven heeft. Net zoals God ons redt omdat Hij ons liefheeft, moeten wij God dienen omdat wij Hem liefhebben. Net zoals God ons de redding niet geeft in de vorm van een lening, zo dienen wij God ook niet trouw om Hem terug te betalen.

   Wat zijn er toch veel mensen die de genade van God niet goed verstaan! Zij menen dat God hen, voordat zij gered zijn, wel wil redden, ookal zijn ze onwaardig, maar dat zij na gered te zijn goed moeten doen omdat God anders Zijn gave weer terug zal vorderen. Dit is als een aankoop die in termijnen betaald wordt. De goederen worden eerst bezorgd en dan wordt er in termijnen betaald. Als er niet op tijd betaald wordt dan worden de goederen door de verkoper weer ingenomen. Zulk een concept geeft duidelijk een verkeerd beeld van de genade Gods. God geeft ons eeuwig leven op het moment van onze redding, maar Hij vraagt ons nooit die redding in termijnen terug te betalen, en Hij zal onze redding zelfs niet van ons afnemen als wij na onze redding geen goede werken doen.

   Overigens, als eeuwig leven een gave is, hoe kan men dan ooit spreken van terugbetaling? Dat is absoluut een verkeerd woord. Wij dienen God uit liefde. Stel dat mijn vader mij iets geeft, terwijl ik verklaar dat ik hem terug zal betalen. Ik spaar maanden en jaren lang zodat ik hem uiteindelijk terug kan betalen. Ben ik door zo te handelen dan niet eigenlijk bezig zijn geschenk te kopen? Genade vraagt nooit een prijs, anders zou het helemaal geen genade zijn.

 

   (f) Genade spreekt de zondaar niet direct vrij van zijn zonden. Dit is een kwestie die door veel gelovigen vaak verkeerd begrepen wordt. Zij menen dat God de zonden van een zondaar vergeeft omdat Hij ruimdenkend en vrijgevig is. Maar zo is het niet. Als God een zondaar vergeeft sluit Hij geen compromissen, en Hij doet ook niet alsof Hij doof is of iets over het hoofd ziet. De Bijbel zegt dat echt nergens. ‘Opdat, gelijk de zonde als koning heerste in de dood, zo ook de genade zou heersen door rechtvaardigheid ten eeuwigen leven door Jezus Christus, onze Here’ (Rom. 5:21). De zonde heerst op eigen kracht, maar de genade heerst door gerechtigheid. Genade heerst niet op eigen kracht. Wij moeten weten dat God niet alleen genade heeft maar ook rechtvaardigheid. Hij wil mensen graag redden, maar Hij wil hun redding ook beschermen met rechtvaardigheid. Hij geeft ons niet zomaar genade; Hij geeft ons genade omdat Hij ons zondeprobleem heeft opgelost.

   Als wij Gods genade uitleggen als achteloosheid, dan is het kruis van Christus zowel onnodig als betekenisloos. Zeker, er kan geen kruis van Christus zijn zonder de liefde van God. Maar Gods liefde alleen, zonder de aanwezigheid van Zijn rechtvaardigheid, zal nooit het kruis van Christus eisen. God is zich zeer bewust van onze zonden; Hij kan ze niet door de vingers zien. En omdat wij het probleem van onze zonden niet op kunnen lossen, maakt God dat Zijn Zoon onze zonden in Zijn lichaam op het kruis draagt, waardoor het zondeprobleem eens voor altijd is opgelost. Dat is Gods genade. Gods genade lost het probleem van de zonde eerst op voordat de zonde wordt kwijtgescholden. De Here moet als onze plaatsvervanger sterven zodat wij gered kunnen worden.

   Een zondaar wordt als zondaar beschouwd omdat (1) zijn wandel niet deugt; (2) zijn natuur verdorven is; en (3) omdat Gods rechtvaardige wet het zo ziet. Wil God een zondaar redden dan moet Hij (1) zijn zonden die uit de verkeerde wandel voortkomen vergeven; (2) hem wedergeboren doen worden door hem een nieuw leven te geven; en (3) hem rechtvaardigen. Welnu, de Here Jezus heeft de straf op de zonde al gedragen en is voor ons gestorven; daarom kan God niet anders dan ons vergeven. De gedachte die bij sommige mensen leeft dat God ons pas vergeeft, als wij Hem door onze smeekbeden daartoe hebben bewogen, is geheel onjuist. Wij zijn vergeven omdat Gods rechtvaardige toorn over onze zonden al op de Here Jezus is gelegd. Wij mogen God dus loven en danken. Wij mogen zeggen dat wij niet meer gestraft zullen worden omdat de Here Jezus al geoordeeld is, en omdat de gerechtigheid maar een keer een straf kan eisen.

 

   (g) Genade spreekt ook de gelovige niet direct vrij van zijn zonden. Hier geldt hetzelfde principe als hierboven. Als iemand na zijn redding een keer door de zonde wordt overwonnen en daarna berouw heeft, ontvangt hij geen vergeving door er onophoudelijk om te smeken. Men ontvangt geen vergeving door God te vragen een voorziening te treffen voor vandaag, maar veeleer door te geloven in wat Christus al volbracht heeft aan het kruis. God is rechtvaardig; Hij kan niet anders dan hen vergeven, die de verlossing aanvaardt hebben, omdat de Here Jezus al gestorven is. Dus als een christen per ongeluk een keer zondigt, dan moet hij de volgende vier dingen goed weten: (1) dat hij vergeving ontvangt door zijn eigen zonde te belijden (1 Joh. 1:9); (2) dat er vergeving is voor alle zonden (1 Joh. 1:7, 9 - let met name op de woorden ‘reinigt ons van alle zonde’ en ‘reinigt ons van alle ongerechtigheid’); (3) dat voordat hij bidt, God al bereid is hem te vergeven, omdat de Here Jezus zijn Voorspraak is bij de Vader (1 Joh. 2:1, 2); en (4) dat aan de ene kant God vergeeft en reinigt vanwege Zijn trouw en rechtvaardigheid, en aan de andere kant vanwege Jezus Christus de Rechtvaardige.