Biografie

 


 

 

Uit een van zijn laatste brieven vanuit de gevangenis

 

 

Al ben ik ziek, toch loopt mijn hart over van vreugde

 

 

Novapres werkt aan een herdruk van een biografie van Watchman Nee, maar op dit moment (maart 2009) staat de rem er een beetje op. We kijken nog of het boek in een vernieuwde en herziene versie uitgegeven kan worden. Deze biografie werd vroeger uitgegeven door TELOS. De titel van de biografie luidt: Watchman Nee - De man die niet Vluchtte. De auteur is Angus Kinnear, de schoonzoon van T. Austin Sparks.

 

Een andere kortere biografie kunt u hier bestellen: Een ontmoeting met Watchman Nee

 

Er is ook een Engelse biografie verschenen van de moeder van Watchman Nee, Lin Ho-Ping: An Object of Grace & Love.

 

Watchman Nee werd geboren op 4 november 1903 in Swatow (spreek uit als Swatou), China. Zijn moeder Ho-Ping was bang dat ze alleen maar dochters zou krijgen en bad daarom om een zoon, die ze ook kreeg. Ze had al twee meisjes. Hoewel ze in die tijd een naamchristen was bad ze toch om een zoon en beloofde hem terug te geven aan God. Volgens de traditie noemden ze hem Shu-tsu (spreek uit als Sjoe-tsoe), hetgeen betekent: hij die de traditie van de voorouderverering voortzet. Enkele jaren na zijn bekering veranderde hij zijn naam in Watchman (in het Chinees is dat To-sheng). Toen hij zes jaar oud was verhuisden de Nee’s terug naar de plaats waar ze oorspronkelijk vandaan kwamen, Foochow (spreek uit als Foetsjou). Toen hij 16 was ging Watchman naar de Middelbare school in Foochow - die gesponsord werd door een Anglicaans Zendingsgenootschap - om daar een westers georiënteerde opleiding te krijgen. Dat was een eerste stap naar het Trinity College dat geleidt werd door voornamelijk Ierse zendelingen van het Trinity College te Dublin. Omdat hij briljant was hoefde hij niet hard te studeren om aan de top van de klas te komen. Hoewel hij meedeed aan de Christelijke tradities als doop, communie, zondagsschool, enz, had hij niet de Here Jezus als zijn persoonlijke Redder aangenomen. Hij hield van de wereld en zocht naar aardse glorie. Hij las romans en ging graag naar de film. Hij schreef artikelen voor kranten en met het geld dat hij daarvoor kreeg kocht hij loten. In die tijd was hij voorzitter van de studentenvereniging. Eind februari in het jaar 1920 kwam Mevr. Dora Yu naar Foochow, zij was één van de eerste Chinese evangelisten, om daar een reeks opwekkingssamenkomsten te houden in de kapel van de Methodisten, de Tien-An kapel. Mevrouw Nee, die een oude vriendin was van Dora Yu, ging er heen en werd gered. Schooljongens mochten ook komen en een aantal deden dat ook. Maar Watchman niet. Hij moest niets van het geloof hebben want hij had zich een eigen toekomst in het vooruitzicht gesteld waarin hij carrière zou gaan maken. Zijn moeder nodigde hem uit maar hij ging niet omdat hij haar op dat moment haatte vanwege een onverdiend pak slaag dat hij gekregen had. In januari was er namelijk een kostbare vaas gesneuveld en Watchmans moeder was er zeker van dat hij het gedaan had; dus stelde ze hem bloot aan een vernederend pak slaag. Hoewel ze later er achter kwam dat hij het niet gedaan had bood ze nooit haar excuses aan. Nu ze echter gered was ging ze familie bijeenkomsten houden. Toen ze op de piano begon te spelen werd ze door de Geest van God er diep van overtuigd dat ze voordat ze zouden beginnen een openlijke belijdenis moest doen aan haar zoon. Tot ieders verbazing stond ze op, liep naar Watchman, omarmde hem en riep uit: ‘Om Jezus' wil, vergeef me alsjeblieft voor het pak slaak dat ik je onverdiend gegeven heb.’ Dit raakte hem diep. Nooit had hij gehoord van een Chinese ouder die gezichtsverlies wilde lijden. Als zijn moeder zo kon worden veranderd dan moest er toch een kracht zitten in de prediking van deze evangeliste dacht hij. Het christendom moest meer zijn dan alleen een dogma. Hij ging naar de samenkomst en werd gered. Maar hij kreeg een strijd in zijn hart want voor hem stond het vast dat als hij de Here Jezus als Redder zou aannemen hij Hem ook als Heer zou moeten aannemen. ‘Ik moest de keuze maken of ik Hem zou gaan dienen als Zijn dienaar; want als ik Hem als Redder aannam moest ik Hem ook als Heer aannemen en Hem voor de rest van mijn leven dienen. Ik was pas zeventien en had grote toekomstplannen. Maar nu moest ik zowel van mijn zonden als van de wereld worden bevrijdt. Deze twee dingen moesten hand in hand gaan.’ Na zijn redding en overgave begon hij te bidden voor de redding van zielen, maar dat werd niets. Mevr. Groves, een zendelinge, vroeg hem hoeveel zielen hij al gered had vanaf zijn redding. Hij sloeg zijn ogen neer en zei dat niemand wilde luisteren en dat de fout dus bij hen lag. Watchman: ‘Zij zei echter dat de fout bij mij lag. Ik moest alle verborgen zonden gaan belijden, dingen met mensen in orde maken. Ze vroeg ook hoe ik getuigde. Ik zei dat ik vertelde wat ik voelde dat ik zeggen moest, of ze luisterden of niet. Zij zei dat ik eerst mensen tot God moest brengen voor ik met hen over God ging praten. Ik moest de namen die God op mijn hart legde in een schrift schrijven en dagelijks voor hen bidden, en als er een gelegenheid was dan moest ik spreken. Dat alles deed ik en het had nog geen effect. Zij moedigde me aan gewoon door te gaan. Ik kan getuigen dat op één na iedereen in het schrift gered werd. Er stonden ongeveer zestig tot zeventig namen in het schrift. Zo leerde ik de les nooit op te geven maar altijd te bidden.’ Watchman wilde alles wat in de Bijbel stond doen en niets van wat er niet in stond. Terwijl hij de Bijbel bestudeerde kreeg hij het op zijn hart in alle eenvoud de dood van de Here te gedenken aan de Tafel des Heren. Hij sprak hierover met zijn vriend Leland Wang die het daarmee eens was, en dus kwamen zij op een zondag in 1922 bij elkaar in Lelands huis om het brood te breken, hijzelf, Leland, en de vrouw van Leland. Later kwamen er meer mensen bij. Voor zijn geestelijke groei ging Watchman veel naar Mevr. Margaret E. Barber die in 1899 als zendelinge naar Foochow was gekomen en van die tijd af in een bungalow bij de Witte Tandenrots woonde. Hij voelde in die tijd de noodzaak van het hebben van de kracht van de Heilige Geest om effectief te kunnen werken. Zij zei tegen hem dat hij zich moest toewijden en dat alle hindernissen in zijn leven weg moesten worden gedaan. Toen kwam hij op een gegeven moment bij Psalm 73 vers 25 waar staat: ‘Wie heb ik nevens U in de hemel? Nevens U begeer ik niets op aarde.’ Op dat moment beleed hij tegenover de Here dat hij dat niet kon zeggen. Al tien jaar lang koesterde hij diepe gevoelens voor Charity, zijn jeugdvriendin. Zij was nog niet gered. Ik probeerde haar het evangelie te verkondigen maar zij lachte me altijd uit. We hielden wel van elkaar. Ik liet haar lachen om de Here Jezus die ik verkondigde. Hoewel ik met mijn mond tegen God zei dat ik bereid was haar los te laten was ik in mijn hart daartoe niet bereid. Een week lang kon ik de woorden uit Psalm 73 niet zeggen. Op 13 februari 1922 werd dit obstakel weggenomen; ik kon haar loslaten en mijn hart werd vervuld met de blijdschap van de Heilige Geest. Niet lang daarna werden er mensen gered. Na deze overgave veranderde hij helemaal; hij ging nettere kleding dragen en ging posters met de Evangelie boodschap op de muren van de stad plakken. In 1922 werden er Evangelisatiediensten gehouden op school en honderden studenten werden gered. Nog nooit heb ik een grotere opwekking gezien zei Watchman. De Geest van God werkte machtig. Watchman begon te zien dat Evangelisatie niet het volledige werk van God was; in Handelingen zag hij dat God plaatselijke gemeenten wilde stichten en dat de gemeente niet een plaats moet zijn waar geredden en ongeredden door elkaar heen zitten. Koren en kaf groeien samen in de wereld maar niet in de gemeente. Zijn medewerker was het hier niet mee eens, hij legde de nadruk op opwekking en Evangelisatie. In die tijd was de familie Nee bij de Methodistenkerk aangesloten en omdat hij de naam Methodist nergens vond in de Bijbel wilde hij zich niet langer zo noemen en hij liet zich dus met zijn ouders uitschrijven; hij wilde zich alleen christen noemen om zo de Naam van de Here niet verloochenen. Ook liet hij zich dopen door onderdompeling op 27 maart 1921 in het water bij de Witte Tandenrots, net buiten Foochow. Hij las de boeken van Dean Henry Alford, B.F. Westcott, Maarten Luther, John Knox, Jonathan Edwards, George Whitefield, David Brainerd, Jessie Penn-Lewis, F.B. Meyer, J.N. Darby, G.H. Pember, Robert Govett, en anderen. Toen hij 26 jaar was werd hij ziek, hij kreeg tuberculose. Hij had nog maar een paar maanden te leven, maar hij had het gevoel dat hij nog niet zou sterven. ‘Ik moest de lessen die ik de afgelopen jaren had geleerd op papier zetten zodat deze niet met mij het graf in zouden gaan. En zo bereidde ik mij voor om De Geestelijke Mens te schrijven.’ En in de mate waarin zijn ziekte het hem toestond begon hij dit monumentale werk dat uit drie boekdelen bestaat te schrijven. In juni 1928 had hij het klaar. In die tijd dacht hij dat het zijn laatste bijdrage aan de Gemeente was en dus bad hij: ‘Nu laat Gij, Here, Uw dienstknecht gaan in vrede’ (zie Luc. 2:29). Maar hij werd door geloof op wonderbaarlijke wijze genezen. Hij werd ook nog gevraagd mee te helpen aan het vertalen van de Scofield Studie Bijbel in Nanking. In april 1952 werd hem door de communistische regering bevolen naar Manchuria te gaan. Daar werd hij gearresteerd door de Veiligheidsdienst op 10 april en naar Harbin gebracht. Tussen 1952 en 1956 bereidde de regering zich in stilte voor om hem te kunnen veroordelen. Op 18 januari 1956 organiseerde het Bureau van Religieuze Zaken een serie samenkomsten in de Samenkomstzaal aan de Nanyangstraat te Shanghai. De hele vergadering moest aanwezig zijn. Er werd een lijst met de criminele gedragingen van Watchman en zijn medewerkers voorgelezen. Op 21 juni 1956 moest hij voor het Hooggerechtshof in Shanghai verschijnen en werd schuldig bevonden aan al de hem ten laste gelegde criminele handelingen. Hij werd tot 15 jaar cel veroordeeld maar werd nooit meer vrijgelaten. De eerste vijftien jaar verbleef hij in de gevangenis van Shanghai. Daar moest hij Engelse wetenschappelijke werken in het Chinees vertalen. In april 1967 had hij de vijftien jaar er op zitten maar werd niet vrijgelaten. De regering had geprobeerd hem te dwingen zijn geloof af te zweren. Dat deed hij niet en dus moest hij nog vijf jaar zitten. Hij werd in het geheim overgeplaatst naar het werkkamp Tsing-Hong in Shanghai. Zijn vrouw kon hem daar één keer bezoeken. Toen hoorde men een aantal maanden niets meer van hem. In januari 1970 werd hij overgeplaatst naar een strenger kamp genaamd de Witte Mao Berg, in het ver van Shanghai verwijderde Kwang-Teh, in de provincie Anhwei. Zijn vrouw Charity stierf in september 1971. Het was dertig mei, 09.00 uur ’s morgens, en Watchman was nog niet uit zijn slaapkamer gekomen. Gevangenis-officieren gingen zijn kamer binnen en vonden hem op bed, hij ademde nauwelijks. In de kliniek van het kamp kon men hem niet meer helpen en hij stierf om 02.00 uur in de ochtend van de eenendertigste mei 1972 op achtenzestigjarige leeftijd. Het laatste dat Watchman schreef was een briefje dat officieren onder zijn matras vlak bij zijn hoofdkussen gevonden hadden. Het luidde:

 

Christus is de Zoon van God,

Hij stierf om de zonden der mensheid te verzoenen.

Op de derde dag stond Hij op uit de doden.

Dit is het grootste feit in het universum.

Ik sterf in het geloof in Christus.                                                                                                                 

 

Bron: The Finest of the Wheat, door Stephen kaung