Biografie

 


 

 

Uit een van zijn laatste brieven vanuit de gevangenis

 

 

Al ben ik ziek, toch loopt mijn hart over van vreugde

 

 

 

Een uitgebreide biografie van Watchman Nee kunt u hier lezen: biografie (in PDF-format). Deze biografie komt uit Het beste van het koren - deel 1.

 

Een korte biografie van Watchman Nee kunt u hier bestellen: Een ontmoeting met Watchman Nee (vertaald voor Stichting Literatuur Evangelisatie).

 

Er is ook een Engelse biografie verschenen van de moeder van Watchman Nee, Lin Ho-Ping: An Object of Grace & Love.

 

Wanneer u de verschillende Engelstalige biografieën van Watchman Nee leest, onthoud dan dat sommige van de (Chinese) biografen destijds mee hebben gedaan aan de zogenaamde beschuldigingssamenkomsten van de Communistische Partij, die er specifiek op gericht waren om christelijke leiders te beschadigen. De Chinese Communistische Partij was (en is) zeer bedreven in het creëren van valse aanklachten. Enkele biografieën van westerse auteurs lijken beïnvloed te zijn door deze communistische propaganda.

 

Watchman Nee (de familienaam ‘Nee’ is een anglicisme van het Chinese ‘Ni’) werd geboren op 4 november 1903 in Swatow (spreek uit als Swatou), China. Zijn moeder Ho-Ping was bang dat ze alleen maar dochters zou krijgen en bad daarom om een zoon, die ze ook kreeg. Ze had al twee meisjes. Hoewel ze in die tijd een naamchristen was, bad ze toch om een zoon, en ze beloofde dat ze hem dan terug zou geven aan God. Volgens de traditie noemden ze hem Shu-tsu (spreek uit als Sjoe-tsoe), wat betekent: hij die de traditie van de voorouderverering voortzet. Enkele jaren na zijn bekering veranderde hij zijn naam in Watchman (in het Chinees is dat To-sheng). 

 

Toen hij zes jaar oud was verhuisden de Nee’s terug naar de plaats waar ze oorspronkelijk vandaan kwamen, Foochow (spreek uit als Foetsjou). In 1916, toen hij dertien jaar was ging Watchman naar de Middelbare school in Foochow - die gesponsord werd door een Anglicaans zendingsgenootschap - om daar een westers georiënteerde opleiding te volgen. Dat was de eerste stap naar het Trinity College, dat geleid werd door voornamelijk Ierse zendelingen van het Trinity College te Dublin. Omdat hij briljant was, hoefde hij niet hard te studeren om bij de top van de klas te horen. Hoewel hij meedeed aan de christelijke tradities als doop, communie, zondagsschool enzovoort, had hij de Here Jezus nooit als zijn persoonlijke Heiland aangenomen. Hij hield van de wereld en zocht naar aardse glorie. Hij las romans en ging graag naar de film. Hij schreef artikelen voor kranten, en met het geld dat hij daarvoor kreeg, kocht hij loten. Hij was ook een tijdje voorzitter van de studentenvereniging. 

 

Eind februari 1920 kwam mevr. Yu Cidu (Joe Tsi-toe, beter bekend als Dora Joe) naar Foochow, zij was één van de eerste Chinese evangelisten, om daar een reeks opwekkingssamenkomsten te houden in de kapel van de Methodisten, de Tien-An kapel. Mevrouw Nee, die een oude vriendin was van Dora Joe, ging er heen en werd gered. Schooljongens mochten ook komen en een aantal van hen deed dat ook, maar Watchman ging niet. Hij moest niets van het geloof hebben want hij wilde graag carrière maken. Zijn moeder nodigde hem uit maar hij ging niet omdat zij hem pas een onverdiend pak slaag gegeven had. In januari was er een kostbare vaas gesneuveld en Watchmans moeder was er zeker van dat hij dat had gedaan; dus gaf ze hem een vernederend pak slaag. Hoewel ze er later achter kwam dat hij het niet gedaan had, bood ze hem nooit haar excuses aan.

 

Maar nu ze gered was ging ze thuis gezinsdiensten houden. Toen ze achter de piano plaatsnam, overtuigde de Geest van God haar ervan dat ze niet mocht beginnen te spelen voordat ze een openlijke belijdenis had gedaan aan haar zoon. Tot ieders verbazing stond ze op, liep naar Watchman, omarmde hem en riep uit: ‘Om Christus’ wil, het spijt me dat ik je geslagen heb terwijl je het niet had verdiend!’ ‘Dat hebt u inderdaad, geëerde moeder’, was zijn bijna koele antwoord,’ en ik heb u erom gehaat’. ‘Vergeef het me, mijn jongen!’, smeekte ze, terwijl ze hem recht in de ogen keek. Maar hij draaide zich om en verliet de kamer zonder een woord te zeggen. Daarna werd de gezinsdienst voortgezet. Die nacht was God echter bezig met Watchman. Hij was diep geraakt door zijn moeders belijdenis. Nooit eerder had hij gehoord dat een Chinese ouder bereid was zich zo te vernederen. Als zijn eigen moeder zo veranderd was, moest er een enorme kracht zitten in de prediking van deze Dora Joe. Het christendom was dan toch meer dan een geloofsbelijdenis. Hij besloot de volgende dag erheen te gaan en zelf de zaak te onderzoeken. De volgende morgen was hij al vroeg op en ging naar zijn moeder om haar te vertellen dat hij bereid was om naar Joe Tsi-toe te gaan luisteren.

 

Hij ging naar de samenkomst en werd gered. Maar hij kreeg strijd in zijn hart, want voor hem stond het vast dat als hij de Here Jezus als Redder zou aannemen, hij Hem ook als Heer zou moeten aannemen. ‘Ik moest de keuze maken of ik Hem zou gaan dienen; want als ik Hem als Redder aannam, moest ik Hem ook als Heer aannemen en Hem voor de rest van mijn leven dienen. Ik was pas zeventien en had grote toekomstplannen. Maar nu moest ik zowel van mijn zonden als van de wereld worden bevrijd. Deze twee dingen gingen samen.’ 

 

Na zijn redding en overgave begon hij te bidden voor de redding van zielen, maar dat werd niets. Mevr. Groves, een zendelinge, vroeg hem hoeveel zielen hij al gered had vanaf zijn redding. Hij sloeg zijn ogen neer en zei dat niemand wilde luisteren en dat de fout dus bij hen lag. Watchman: ‘Zij zei echter dat de fout bij mij lag. Ik moest alle verborgen zonden gaan belijden, dingen met mensen in orde maken. Ze vroeg ook hoe ik getuigde. Ik zei dat ik vertelde wat ik voelde dat ik zeggen moest, of ze luisterden of niet. Zij zei dat ik eerst mensen tot God moest brengen voor ik met hen over God ging praten. Ik moest de namen die God op mijn hart legde in een schrift schrijven en dagelijks voor hen bidden, en als er een gelegenheid was dan moest ik spreken. Dat alles deed ik en het had nog geen effect. Zij moedigde me aan gewoon door te gaan. Ik kan getuigen dat op één na iedereen in het schrift gered werd. Er stonden ongeveer zestig tot zeventig namen in het schrift. Zo leerde ik de les nooit op te geven maar altijd te bidden.’ 

 

Watchman wilde alles wat in de Bijbel stond doen en niets van wat er niet in stond. Terwijl hij de Bijbel bestudeerde kreeg hij het op zijn hart in alle eenvoud de dood van Jezus te gedenken aan de Tafel des Heren. Hij sprak hierover met zijn vriend Leland Wang die het daarmee eens was, en dus kwamen zij (hijzelf, Leland, en Lelands vrouw) op een zondag in 1922 bij elkaar om het brood te breken. Later kwamen er meer mensen bij. Voor zijn geestelijke groei ging Watchman veel naar Mevr. Margaret E. Barber, die in 1899 als zendelinge naar Foochow gekomen was en in een bungalow bij de Witte Tandenrots woonde. Hij voelde in die tijd de noodzaak van het hebben van de kracht van de Heilige Geest om effectief te kunnen werken. Zij zei tegen hem dat hij zich moest toewijden en dat alle hindernissen in zijn leven weg moesten worden gedaan. Toen kwam hij op een gegeven moment bij Psalm 73 vers 25 waar staat: ‘Wie heb ik nevens U in de hemel? Nevens U begeer ik niets op aarde.’ Op dat moment beleed hij tegenover de Here dat hij dat niet kon zeggen. Al tien jaar lang koesterde hij diepe gevoelens voor Charity, zijn jeugdvriendin. Zij was nog niet gered. Ik probeerde haar het evangelie te verkondigen maar zij lachte me altijd uit. We hielden wel van elkaar. Ik liet haar lachen om de Here Jezus die ik verkondigde. Hoewel ik met mijn mond tegen God zei dat ik bereid was haar los te laten, was ik in mijn hart daartoe niet bereid. Een week lang kon ik de woorden uit Psalm 73 niet zeggen. Op 13 februari 1922 werd dit obstakel weggenomen; ik kon haar loslaten en mijn hart werd vervuld met de blijdschap van de Heilige Geest. Niet lang daarna werden er mensen gered. 

 

Na deze overgave veranderde hij helemaal; hij ging nettere kleding dragen en ging posters met de evangelieboodschap op de muren van de stad plakken. In 1922 werden er evangelisatiediensten gehouden op school en honderden studenten werden gered. Nog nooit heb ik een grotere opwekking gezien zei Watchman. De Geest van God werkte machtig. Watchman begon te zien dat evangelisatie niet het volledige werk van God was; in Handelingen zag hij dat God plaatselijke gemeenten wilde stichten en dat de Gemeente niet een plaats moet zijn waar geredden en ongeredden door elkaar heen zitten. Koren en kaf groeien samen op in de wereld, maar niet in de Gemeente. Zijn medewerker was het hier niet mee eens; hij legde de nadruk op opwekking en evangelisatie. In die tijd was de familie Nee bij de Methodistenkerk aangesloten en omdat hij de naam Methodist nergens kon vinden in de Bijbel, wilde hij zich niet langer zo noemen en hij liet zich dus met zijn ouders uitschrijven; hij wilde zich alleen christen noemen om zo de Naam van de Here niet verloochenen. Ook liet hij zich op 27 maart 1921 dopen (door onderdompeling) in het water bij de Witte Tandenrots, net buiten Foochow. 

 

Hij las de boeken van Dean Henry Alford, B. F. Westcott, Maarten Luther, John Knox, Jonathan Edwards, George Whitefield, David Brainerd, Jessie Penn-Lewis, F. B. Meyer, J. N. Darby, G. H. Pember, Robert Govett en anderen. Toen hij zesentwintig jaar was, werd hij ziek; hij kreeg tuberculose. Hij had nog maar een paar maanden te leven, maar hij had het gevoel dat hij nog niet zou sterven. ‘Ik moest de lessen die ik de afgelopen jaren had geleerd op papier zetten, zodat deze niet met mij het graf in zouden gaan. En zo bereidde ik mij voor om De geestelijke mens te schrijven.’ In de mate waarin zijn ziekte het hem toestond begon hij dit monumentale werk - dat uit drie boekdelen bestaat - te schrijven. In juni 1928 had hij het klaar. In die tijd dacht hij dat het zijn laatste bijdrage aan de Gemeente was en dus bad hij: ‘Laat Gij Here, Uw dienstknecht nu gaan in vrede’ (zie Luc. 2:29). Maar hij werd door geloof op wonderbaarlijke wijze genezen. Hij werd ook nog gevraagd mee te helpen aan het vertalen van de Scofield Studie Bijbel in Nanking. 

 

In april 1952 beval de communistische regering hem naar Mantsjoerije te gaan. Daar werd hij op 10 april door de Veiligheidsdienst gearresteerd en van daaruit werd hij naar Harbin gebracht. Tussen 1952 en 1956 bereidde de regering zich in stilte voor om hem te kunnen veroordelen. Op 18 januari 1956 organiseerde het Bureau voor Religieuze Zaken een aantal samenkomsten in de Samenkomstzaal aan de Nanyangstraat te Shanghai. De hele gemeente moest aanwezig zijn. Er werd een lijst voorgelezen met de ‘criminele gedragingen’ van Watchman en zijn medewerkers. Op 21 juni 1956 moest hij voor het Hooggerechtshof in Shanghai verschijnen en werd hij schuldig bevonden aan al de hem ten laste gelegde ‘feiten’. Hij werd tot 15 jaar cel veroordeeld maar hij werd nooit meer vrijgelaten. De eerste vijftien jaar verbleef hij in de gevangenis van Shanghai. Daar moest hij Engelse wetenschappelijke werken naar het Chinees vertalen. In april 1967 had hij de vijftien jaar er op zitten maar hij werd niet vrijgelaten. De regering had geprobeerd hem te dwingen zijn geloof af te zweren. Dat deed hij niet en dus moest hij nog eens vijf jaar zitten. Hij werd in het geheim overgeplaatst naar het werkkamp Tsing-Hong in Shanghai. Zijn vrouw mocht hem daar één keer bezoeken. Toen hoorde men een aantal maanden niets meer van hem. In januari 1970 werd hij overgeplaatst naar een strenger kamp genaamd de Witte Mao Berg, in Kwang-Teh, in de provincie Anhwei, ver van Shanghai vandaan. Zijn vrouw Charity stierf in september 1971. Op dertig mei 1972, om 09.00 uur ’s ochtends, was Watchman nog niet uit zijn slaapkamer gekomen. Gevangenbewaarders gingen zijn kamer binnen en vonden hem liggend op zijn bed; hij ademde nauwelijks. In de kliniek van het kamp kon men hem niet meer helpen en hij stierf op 31 mei 1972 om 02.00 uur in de ochtend. Hij was achtenzestig jaar. Het laatste dat Watchman schreef was een briefje dat later door officieren onder zijn matras vlak bij zijn hoofdkussen gevonden werd. Het luidde:

 

Christus is de Zoon van God,

Hij stierf om de zonden der mensheid te verzoenen.

Op de derde dag stond Hij op uit de doden.

Dit is het grootste feit in het universum.

Ik sterf in het geloof in Christus.                                                                                                                 

 

Bron: The Finest of the Wheat, door Stephen Kaung